Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

213

en*kinderen ontnomen. Wanhopig naar Deventer ge*

togen, had hij haar weten op te beuren

Zoo praatte Brinckerinck, en 't rhythme van zijn woorden viel samen met de gang van 't paard. Theo* dorik hoorde het verzwakken, werd soezerig, begon

te knikkebollen zakte in slaap. Als hij ontwaakte,

was er zeegebruis — op Wodansbank.

Het zag er kostelijk om te visschen uit. De hemel donkerblauw, de golven tintelend licht, een lauwe zui* dewind. Hij nam de wormenbak en de greep en stapte op bloote voeten naar een stukje plaat dat klieterde in de eb. Ging decimeters lange vette pieren dollen. Als er genoeg waren, bracht hij de greep naar huis en sleepte de hengel met zich mee, die altijd buiten lag, naar de gewone vischplaats aan de diepe geul. Er waren treilertjes verspreid over de zee; ver in de bleeker blauwe achtergrond stond een rookzuil uitgebreid als was 't van een vulkaan.

De heele morgen zat hij er gedachteloos en Het zich sterken, liet zich bruinen. Dat waterwemelen met het aldoor wisselend lichtgevlak, het draaien, wentelen en spiegelend voortglijden op stroom, gaf reeksen van verrukkingen aan de oogen: er was te veel om alles op te kunnen nemen, de uren moesten omvliegen: zoo snel klom de zon naar 't middagpunt. Af en toe dook de dobber onder en werd de top van de hengel schuin naar beneden getrokken; met vangerskunst moest hij dat einde dan omhoog brengen, en opslaan met een schok het druipend blanke beest het water uit, en met een vlugge boog het zwaaien op het strand. Dit moest

Sluiten