Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

215

hem te helpen. En na even staren over zee, vroeg ze ineens verlegen:

— Wil je het niet doen? Ik ben zoo bang, alleen te blijven!

Hij wist van die bangheid, maar niet dat ze zóó diep zat. Verwonderd keek hij op, haar aan. Ze stond daar schutterig lachend, zeker verwachtend te worden uit* gelachen en begon er alvast zelf onhandig mee. Dan rukte ze met de schouders, en met een hoofdknik naar de trawlers in de verte uitte ze, weer verontschuldig gend maar toch ook als verklaring, met beetje zelf* spot, tegelijk verlegen*stug :

— Zoo'n bootje zou bier best es kunnen landen. Dan, zich bukkend naar de bunkaar, de kist met

ronde gaten in het water, waarin de doodgeslagen ka* beljauwen frisch gehouden werden, deed ze de visschen over in een net. Richtte zich dan weer op, vragend:

— Wil je het Oom uit zijn hoofd praten? en ver* dween meteen naar huis.

Aan tafel begon hij over de visscherij, opgewekt, met geestdrift weldra. Hoe*i daarvan genoot, hoe*i zoo'n heele morgen zich geen tien tellen verveelde: hij kon er morgen aan morgen vol verheuging zitten, en de middagen er bij! Vanmiddag trok*i er weer heen, direct na eten ging*i weg

Oom vond het opperbest. Hij at met welbehagen de gebakken kabeljauw, hij scheen na dagen van ver* strooidheid weer te proeven wat*i innam. Als*i ver* zadigd raakte, liet*i zich achterover hellen in zijn stoel,

Sluiten