Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

best missen; ook Jo, wat kon*i makkelijk buiten hem! Daar zag je aan, dat een mensch ten slotte genoeg had aan zijn eigen leven, en daar in zat gevangen als een weekdier in z'n schelp. Hij kon er vaak genoeg een kijkje buiten nemen, met meer of minder interesse voor ande* ren, maar bleef er toch op aangewezen wat elk bedrei* gen van het eigen voortbestaan betrof.

Hij ging weer aandacht aan zijn hengel geven, en zat weer uren zich te verbazen over het kostelijk gespoel van 't water en over 't loutere groene Hcht er van.

Hij had al es uitgekeken of ze nog niet in aantocht waren, maar de zandsteppe bleef tot de einder geel. Nu

zei dat niet veel: een mensch was een klein wezentje

dat kon in korte tijd zich een geweldig eind verplaat» sen, juist wat het gezicht aanging — bovendien was de belichting soms zóó, dat*i zeker wist dat er binnen drie kwartier niemand in nadering was, terwijl vlak daarna Oom op tien minuten afstand groot en duidelijk opdoemde. Maar nu verloor de zon aan kracht, het uit* zicht werd nu wel betrouwbaar. Voor Annetje was het feitelijk wel wat ver; misschien had ze last van moeheid, warmte of pijnlijke voeten of God wist wat, en talmden ze daardoor nou. Eerlijk gezegd had*i ze al terug ver* wacht, ten minste in zicht. Hij zou es in de kaap klim* men. Dat was gek: daar had*i nog nooit in gezeten, de kaap waarin ze nota bene moesten vluchten om 't lijf te bergen bij overstrooming!

Zoo hardop leuterend had hij het vischgerei bij elkaar gepakt en kuierde dan, de handen vol met wormenbak en net met visch, de hengel in de oksel over 't zand

Sluiten