Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

227

Terwijl Oom blijkbaar van voren af aan begon met plan* nen voor het terrein van de niet aanwezig gebleken heuvel — het heele tafelblad lag vol nieuw schoon papier — zette hij zich met een boekje in een hoekje en dacht zich weg. Het water straalde ook in de avond nog, maar*i

zat net heelemaal in zijn stof hij kleedde zich op

Tegenstroomen, en stapte weg onder uitzakkende grauwe luchten, tot moe*wordens, en keerde dan naar huis, en ging direct te bed.

Ze stegen bij een hooge weide van de paarden.

Dit was de Plecht, in de mark Rande, hoorde hij Brincke* rinck uitleggen. Hier moest het klooster komen: fijn zingen uit de hoogte had deze plaats van aanbouw aan* gewezen, toen zij zochten. De Deventer Broeders zou* den af en toe komen helpen; al wie er meewerkte kreeg

veertig dagen aflaat van de bisschop Maar kón

Deodaat op een of andere wijze meehelpen? werd ge* vraagd.

Gebouwen optrekken was het liefste wat*i deed. De vrouwen met de ruwe hoofddoeken en grove boezelaars hadden er een hut en groeven gaten aan de Uselkant waar ze klei uit haalden. Hij zag ze werken — hij was er zelf ook tusschen aan het werk. De blauwe, bij plak* ken uitgestoken, klei kruiden ze naar een groote, platte kuil, waar middenin een spil in stond. Daar zat een boom met scheppen aan, die hingen in de klei. Men

gooide er water op hijzelf spande zijn paard aan 't

vrije eind van de boom en liet het rondgaan. De schep* pen duwden klei en water voor zich uit, ze mengend en knedend tot een stijve blauwe pap van overal dezelfde

Sluiten