Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

231

boog tusschen de rulle wagensporen, glanzend in de zon hun glimzwarte borsten met witte spikkels.

In stofwolken kwamen paarden met de zware open huifwagen de straat inzwoegen, en hielden vlak voor hem op. Brinckerinck kwam naar buiten en heesch zich er in; hijzelf zag onder 't opstappen groote vrachtladen aan kettingen tusschen de wielen hangen. Dan rukte het weer in beweging, op de brink aan, donker overlommerd door kastanjeboomen met nog geel»wit en rose»wit uit» bloeiende toortsen. Het bolderde en zinderde er over de ronde rooiige veldkeien — hij zag die voor het eerst: laatst was het hier nog niet bestraat.

Brinckerinck was ook veranderd, verouderd: niet meer de slanke gracieuze page van heel vroeger, of de rijzige aristocratische man, meer een buikige dorpspas» toor tusschen de vijftig en zestig, als één die zijn doel bereikt had. Stug was zijn gezicht. Dan begon hij te spreken — dezelfde voornaam»minzame toon en rustige zuivere uitspraak met Deventer inslag nog — en 't tin» kelen van zijn bruine oogen er bij bracht dadelijk weer onder de imponeerende bekoring, waarnaar het eerst prettig luisteren was, om ongemerkt door te blijven den» ken op één onderdeel en gaandeweg af te soezen.

De poort uit, ging hij vertellen van hoe het gegaan was met Diepenveen. Hoe Zwedera van Rechteren één van de eerstopgenomenen geweest was, en Jutte van Ahaus, de Vrouwe van Vreden, er het aardsche leven had geëindigd al na één dag. Dat er verder vooral jonge» meisjes waren gekomen, meest adellijke; niet alleen uit de IJsselstreek of Gelre.... ook uit Westphalen, uit het Kleefsche en Holland zelfs. En hij ging er bizonderheden

Sluiten