Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

233

zagen ze een muur er om, de wagen reed er langs, stil* houdend voor een poort aan de oostkant. Ze stegen uit en gingen tusschen barakken door van ruw hout, met nog de schors er aan, waar conversinnen met een zak als schort voor aan het werken waren. Ze zagen bak* en brouwhuizen, en wasch* en bouwhuizen, en potstallen met schapen, en schuren vol turf en bakkershout. Groen kleurden maar daartusschen de moeshof en de vrijthof . Brinckerinck liep te verklaren hoe nagenoeg alleen vrou* wen hier alle werkzaamheden deden, toen harde man* nestemmen opklonken. Een hoek omslaande, merkten ze een groot tumult. Veel zusters stonden saamge* stroomd, waarbij in 't midden hooge zwarte kerkheeren uitstaken. Een plotselinge visitatie namens het kapit* tel? schrok Brinckerinck hardop. Maar ook waren er krijgsknechten op de achtergrond, de hand aan 't zwaard. Zij beiden spoedden zich tusschen de vrouwen door — die neigend weken met neergeslagen oogen — en Brinckerinck begroette twee der heeren als de priors van Windesheim en van de Nemelenberg. Er was bij hun een hooge vrouwe. Als de moeder van Elisabeth van Heenvliet stelde men haar voor. Haar man, de machtige ridder Jóhan, wenschte zijn eenig kind terug dat zich opzettelijk ziek gehouden had om hier te kunnen blij* ven nadat ze haar nichtje Catharina van Naaldwijk ver* gezeld had op de gang naar 't klooster: hij had gedreigd zijn vrouw te dooden zoo zij het kind niet mee terug* bracht. De Vrouwe van Heenvliet had zich tot Windes* heim gewend om tusschenkomst; daar was juist groote vergadering geweest van het generaal*kapittel. Die werd geschorst, en allen waren met haar meegereisd naar hier

Sluiten