Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

235

te krijgen. Brinckerinck troostte haar; na de dienst had ze haar dochter mogelijk wel terug. Dan bood hij ver* ontschuldigingen aan, moetende zich verkleeden voor de dienst.

Even had het geluid, een heldere reine klank. Ach* terin de kerk waren ze geknield op bidbankjes, met bidboek en rozekrans in de handen. De roode Godslamp brandde stil in de schemering; door de geschilderde ra* men, van rijke Roomsche kleur, viel grillig buitenlicht op menig crucifix: hij herinnerde zich dat Brinckerinck gezegd had, hoe in dit klooster een Jezuscultuur bloeide. In 't vrouwenklooster

In een oogwenk was het kerkje volgeloopen: één lange regel conversinnen trippelde naar binnen, zonder ge* rucht, elk zonder aarzeling naar eigen plaats. En daarna ruischte er een schare zusters, meisjes nog haast, als zwarte pionnen, naar 't zijgewelf, het koor. Allen inge* togen en met diepe kniebuiging voor het Allerheiligste. Dat hij er van ontroerde, en koud van binnen werd. Dan ving het orgel aan, aanvankelijk zacht vibreerend, allengs zwaarder sidderend, donderend ten slotte. Van rijke Roomsche klank. Het altaar was met Meibloemen getooid, er tusschen lange kaarsen met zulk zacht, zui=

ver Hcht de groote, stille, blanke bloemen stonden

er haast doorschijnend. De priester — was dat Brincke* rinck? — en de misknapen, in goudgewaden rhythmisch buigend, verrichtten er hun handelingen. Klaaglijk aan* roepend in één eenige hooge toon de priesterstem, ant* woordend invallend de lieve jonge stemmen van het koor. De wisselzangen klonken hem vreemd*bekend,

Sluiten