Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

250

jonge roode eekhoorns dansten er achter aan. Brincke* rinck was allang gestorven; zij waren familiaren: jonge Deventer metselaars en timmerlieden, die bij de uit* breiding van 't Windesheimer klooster behulpzaam zouden zijn. Ze hepen al veel uren, kwamen dan on* verwacht voor een zware poort, lieten de klopper val* len. Een luikje werd geopend, en eenigen begroetten de portier, die ze wel kenden: Nicolaas Suter van Am* mersforde hoorde Theodorik hem noemen; het was een minzaam, goedig man. De poort zweeg open op een kier, ze gingen achter elkaar naar binnen. Ze zagen op een afstand de zwarte broeders in de bongerd wandelen twee aan twee, de takken hingen roodbepuk* keld appelvol, met steunstokken er onder. Ze werden naar een bouwmanshuis gevoerd, de gastmeester ont* ving hun joviaal, grappen makend over wat ze hier kwamen doen, en het conversen kommen met warm water brengen en hun de voeten wasschen, terwijl ze op de kribben zaten. Ze kregen bier te drinken, en konden eerst een paar uur slapen. Behaaglijk moe strekte Theodorik zich uit, en zuchtte zich in sluimer. Hij droomde kort hij liep langs de Bezuidenhout, van zijn huis naar stad op marsch, maar was vervluchtigd

in de buurt van het Staatsspoor*station sliep hcht*

bewogen verder, als zwevend in de zon.

Wanneer hij zijn oogen uitwreef, maakten de ande* ren zich gereed naar 't werk te gaan, hun gereedschap bij elkaar zoekend onder 't uiten van schuine gijn over het vrouwvolk. De procurator was gekomen en bracht hun naar de plek van aanbouw. Een paar honderddui* zend baksteenen stonden er opgestapeld, en groote

Sluiten