Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

260

kwam. Theodorik tuurde nog eens sterk, zijn blikken horende het blauwnevelige in: een langwerpig iets ver* hief zich op een afstand. Maar dun. Het zou een bams boe zijn, door hunzelf daar vroeger neergepoot om de route aan te geven. Oom kon ieder oogenblik te voor* schijn doemen, maar 't kon ook tijden duren. Mis* schien keerde hij de kust langs terug. Ze moesten maar naar huis gaan.

Weer wandelden ze. Het dofgloeiende vuurkasteel was tot wat troebel ros geslonken, ter plaatse was de afgedooide maan te zien gekomen: gelijk een afgesab* belde suikerklont die bij een baby in de mond getoefd had. Het werd al donker; hun huisje was vervaagd, de groene lamp kleurde helder in de lucht.

An zei geen woord, maar keek soms wat onrustig om. Theodorik zette een gesprek met Oom ineen voor straks. Hij was even op 't punt An er ook in te betrek* ken en haar er wat over te vragen, maar duwde dat terug. Hij moest het alleen met Oom in orde maken.

Als die maar niet moe was, en prikkelbaar dan

bleef het weer sloffen, want morgen zou het dan na* tuurlijk zuiver hetzelfde gaan. Misnoegd oogde hij in 't wilde rond, merkend hoe zwart van duister het al geworden was.

Het gladde groene licht hing nu vlakbij hun in de hoogte; An struikelde ergens over, hij bood haar de arm. Ze waren op het erf, zooals ze de rommelzóne om de woning wel eens noemden; om 't huis heen* gaande uitte An een klank van teleur stelling: 't waa er nog donker, Oom was er dus nog niet. Ze traden binnen en Theodorik stak de lamp aan, maakte 't wat

Sluiten