Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

264

hadden uitgezet, om niet af te dwalen in de eindeloos* heid: wie wist hoe ver de bank wel dóór liep! Hij had toch de dikke jas mee? En vriezen deed het niet — dan kon hij het wel bolwerken.

Hij ging er zelf haast in gelooven, had het met geest* drift haast gezegd, licht klappertandend. An had de tranen in de oogen, schudde het hoofd. Kwam heel dicht bij hem staan, fluisterde helder op: ,,'k Had eerst een tijd een angstig voorgevoel — even geleden is het opeens verdwenen. Te Geloof dat het op dat moment met Oom is afgeloopen."

Theodorik legde zijn arm om haar schouder en leid* de haar naar de deur. Buiten was het zwart en vochtig kil, najaars*scherp stonden de sterren, 't Was als klonk hèt huilen van een hond. Beiden hoorden het zoo. 't Zou de zee wel zijn. „Hadden we maar een hond meegenomen hierheen," dacht Theodorik hardop, „dan was dit niet zoo aan 't gebeuren." — „Oom was als de dood voor een hond," zei Annetje zacht.

Hij bracht haar weer naar binnen, de zeegeluiden Waren akelig hol om naar te luisteren. Ze wilden niet naar bed: „ik kan niet warm liggen, terwijl Oom ginder in de natte nevel is," vertrouwde An hem toe. Hij draaide de lamp lager; hij zei haar in de leunstoel te gaan zitten, wikkelde d'r mantel om haar heen. Zelf zat hij op een stoel naast haar, in zijn overjas, een arm achterom haar schouder. Ze waren lam en moe, hun hoofden knikkebolden naar elkaar. Uit zee klonk het als gistte het. Wind rukte af en toe aan de plinten en buitenluiken; dan knarste het en klopte het. Ze werden rillerig en gloeierig. An schokte soms. Dan haalde hij

Sluiten