Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

Hij wilde wachten op meer helderheid — over de zee in 't Oosten was 't al dag. De nevel op de bank trok naar het westen weg, het reepje groene bodemgroei waar de zeevogels nestelden was al te zien. Een enkele bamboe stak doodeenzaam op.

Hij sufte af in denken over Oom. Als hij zoo keek was alles natuurlijk en normaal: het land werd nu als alle dagen. Niets was veranderd, niets ernstigs hadden ze zien plaats grijpen. Alles bleef eender, wanneer Oom direct te voorschijn trad. Niets wees er op dat dit niet kon gebeuren. En toch wist*i zeker dat Oom voor goed weg was; hij voelde duidelijk dat ze niets van hem terug zouden zien — als was hij op een wandeling van een te groot aantal jaren dan om de band met hun aan te kunnen houden. Hij verwonderde zich er over dat hij dit zoo vreemcUkalm voelde; zijn verstand kwam hem de voorstelling opdringen: Oom — lijk! liggend ergens.... zijn hart klopte er even van. Nog

eens liet hij de kijker loopen langs de kim geen aan»

duiding.

Hij daalde, en ze aten wat, drinkende heete thee. Dan togen ze op pad. Het Oosten begon rozig te gloeien, de golven heuvelden hard lichtend*groen, met glad*blank schuimsspritsen. De luchten waren rose aan het lichten, de zee was louter schijnsel. De zandplaat geelde frisch de verte in.

Theodorik, wat bagage op de rug, in de eene hand de zeekijker, had An de arm geboden. Ze gingen zwij* gend voort, verzinkend in gedachten; ze stapten auto* matisch. Als met het stil bewustzijn dat de tocht alleen diende om het verstand te overtuigen van wat het

Sluiten