Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

277

't Werd huiverkil. Wat danste het schip! Ze daalden het trapje af in de kajuit waar ze zouden slapen. Lam en moe. Kropen op de wandbanken, stijf de overklee* ren om zich heen trekkend. Sliepen weldra.

Het vaartuig gleed heel zacht de breede stroom af. Kalm kabbelend boogde de rivier door 't grassig land; de grijsgele Lebuïnustoren stond achter hun uit He trapgeveltjes op, gelijk een wijze uil. Deventer was altijd een cultureele stad, sprak een stem. Hij keek in *t rond — een zwaargebouwde pater had het hem gezegd. Hq had een onderkin en leek een krop te hebben, 't hoofd rustte op een breede kraag, de zwarte half dichtgekne* pen oogen glimlachten klein in diepten, gevormd door 't revolutionair bekrulde dikke gele voorhoofd en de haviksneus — hij deed sterk aan als een kalkoen, 't Moest Brugman zijn.

Tusschen wat groen lag Diepenveen, de kerk*met= toren op een hoogte, omgeven door een boomrand, gelijk een vogel op z'n nest. Stil schoof de groene grond voorbij, hij hoorde de stem opnieuw beginnen, als door zeep verzacht. Hij had ze vizioenair gezien, de hooge geestelijke bouwers uit dié stad: Geert Groote, die ai aan de Imitatio Christi van Thomas a Kempis was

begonnen Meester Floris Radewijnsz, de klooster*

stichter..-.. Brinckerinck. Thomas van Kempen, die ook in Deventer had school gelegen, was zijn beste vriend. Hij was er nu weer heen op weg, om uit te bla* zen van zijn donderpateren.... er hing daar hemelsche rust bij die gelukzalige kluizenaar, uitsluitend geeste* lijk levend, lichamelijk vegeteerend: die zelfs de namen van de dagelijksche dingen haast niet kende!"

Sluiten