Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

278

Ze voeren nu langs Windesheim, grauw lagen de ge* bouwen tegen een dreiglucht, de Mariatoren verhef* fende zich er onder. De pater met de weeke lach op 't geel*dikke gelaat sprak door, vleiend vertellende: hij zou er Wessel Gansfort wel ontmoeten, teruggekomen van zijn boezemvriend de bisschop David van Bour* gondië. Zelf had hij met zijn vrind Dionyzius de Kar» tuizer in het gevolg van kardinaal Nicolaas van Cusa de Ysellinie wel geïnspecteerd — ja, Deodaat mocht ophoor en van zulke omgang! hij was gansch iemand anders dan de menschen dachten!

Theodorik antwoordde, die namen waren hem be» kend. De ander knoopte er aan vast: het volk hield hem louter voor een vulgaire schreeuwer, een donderaar, een opgezwollen rhetorieke '— zijn neigingen gingen in heel andere richting. Maar primitieve menschen moesten met primitieve middelen geregeerd worden. Wat gaf een boerekaerel er om als men hem zei dat na een verbeuzeld leven de mensch van 't inzicht in de harmonie van het heelal, het doel van 't leven, enzoo» voorts, gespeend zou blijven — wat bereikte men dan bij 'em? Zulke lui waren alleen vatbaar voor gebulder over de verdoeming en de verdommenis — als een kwaje koddebeier most je dan te keer gaan. Maar innerlijk was hij mysticus. Hij ging nu naar de Neme» lenberg, zou Deodaat doen deelen in de stilte van de eeuwigheid.

Ze landden. Ze liepen door een veenstreek. Achter hun droegen twee boden elk een kist, met kleeren en met boeken. Een zwarte lucht kwam aanweldigen; het veenwater zag doodelijk spook«zwart, hei grauwde

Sluiten