Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

279

als verdronken onder een hoos. Een regen*legermacht schoof recht voor hun langs, een regiment van stralen als doffe stalen lansen. Ze zagen duidelijk het einde van de achterhoede, hard stortend, druk trappelend ging het gedrang daarheen. Gelijk de opeenhooping achteraan een optocht, enkele losse strepen navallend, en dan ineens niets meer, een groote leegte, ontnuch* terd uitdruipend, opwasemend. Zakte de meegesleepte staart uitregenend af.

Als het voorbij was en de lucht weer licht door* zeefde, stond op een heuvel een rood klooster. Ze ste* gen bij de helling op, het helderde steeds op. Boven gekomen, lag het blauw*wazig panorama voor hun open; hij vroeg zich af hoe al het groen geboschte van de streek zóó rookig*blauw kon zijn. De regenbui temp* teerde nu de Veluwzoom, 't geheuvel werd er onder bedolven. Dan brak het zonnen door.

Hij voelde een handdruk op zijn schouder. Keek om — ze stonden voor een zware poort. Die open* kierde. De pater wou hem laten voorgaan. Hij bleef staan, zich eerst nog naar het westen wendend. Zwolle's toren puntte uit, de kerk er naast, een schit* terende klomp. Goud goot het uit één hemelplek over het landschap uit, een kooi van licht. Als stond een hemelhooge fijne goudtent op het land. Met zwaar hangende wolkgordijnen gedrapeerd. Een oud Vlaamsch schilderij.

Hij moest het hardop uiten: wat kostelijk, verruk* kelijk! Weer drukte de hand hem op de schouder; hij dacht: „waar men de namen van de dagelijksche din* gen zelfs niet weet" Hij wilde, en hij aarzelde. Iets

Sluiten