Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

284

wandelen en praten. Ze waren naar het Stille Strand getremd en hadden er geloopen in de smalle leegte onder de grijze lucht die naar de schemer neigde. De zee deed aan als 's morgens vóór zonsopgang op de Wodansbank, maar 't zand was er veel rommeliger en goorder. Ze waren tegen het duin gaan zitten. Toen was ze er over begonnen dat ook zij nou een positie moest zoeken — ze had er al eerder op gezinspeeld, maar hij had er telkens over heen gepraat — ze zou nou adverteeren om een plaats als huishoudster.... het meubilair dat in IJmuiden opgeslagen lag, en feite* lijk aan hun tweeën hoorde, moest maar verkocht....

Toen had hij precies de juiste woorden voelen op» wellen die vaag en theoretisch al voorbarig door hem heen gegleden waren in de laatste tijd. Maar eerst had hij bestaanszekerheid willen hebben. Nóg sprak hij ze toen niet uit. Maar had haar langzaam naar zich toe getrokken. Even gestreken héél zacht langs d'r wang, en dan nog niets gezegd. Terwijl zij onverwon* derd ver in zee was blijven staren. Zoo had hij haar even gelaten, van dichtbij haar gezicht beziende. Dan, terwijl zij trachtte zich rechtop te houden, had hij 'er zacht gedwongen zich te laten hellen — tot hij 'er vast omsloot. Zijn handen op haar andere schouder tot een dot. Haar met een trilling drukkend aan zijn borst, warm gedempt uitende:

— Ik wou je altijd bij me houden.

Ze had het gezicht nog van hem afgedraaid gehad. Haar blauwe kijkers waren overdoft, of zware droom er over dreef; gloed kierde éven tintelend er door, maar werd weer overwolkt. Dan was 't gaan blinken

Sluiten