Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

286

Toen was er weer gekust en had ze hem omhelsd, en, heelemaal ondanks haarzelf, was haar ontsnapt:

— Eindelijk , m'n liefde, eindelijk. Ik heb zoo lang op je gewacht....

En onder streelen en onder wiegen was het donker geworden. Maar nog was alles niet besproken. Er was een weifeling in hem geweest. Hij wou haar helpen, zich aan haar wijden, zich heelemaal aan haar geven. Hij wilde haar geheel voor zich alleen hebben, te bil* lijken door echtverband. Maar niet dat zij na 't trou* wen uit conventie al dadelijk méér zou geven dan zij beiden wenschten. Daar had hij toen nog niet over kunnen spreken, het was te teer. Hij wist niet of ze naar een kind verlangde, of ze zijn willen*ontzien niet in haar diepste binnenste zou opvatten als het willen* voorkómen dat enkele maanden na het trouwen haar heele aandacht mogelijk niet meer voor hem alléén zou zijn, maar meer en meer gevestigd op het zich vormende wezentje. Hij wilde van haar niet het klein*

ste offer of zou het offeren haar juist gelukkig

maken? Het was zoo vreeselijk subtiel, en moeilijk om dit gewaar te worden; juist omdat zij zelf wellicht niet wist hoe 't in haar diepte 't liefste wilde.

Daarbuiten stond dan nog 't probleem: was 't wel verantwoord een nieuw mensch het leven op te laden, ja wellicht een menschenreeks, met stellig van de maatschappelijke aanleg van hemzelf, terwijl*i de steeds moeilijker wordende strijd om een steeds waardeloo* zer bestaan fel*duidelijk zag, er zich van doortrokken voelde? Daar stond weer tegenover, dat helder dage»

Sluiten