Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIEN JAREN KRONIEK *)

door Henri Borel.

Als een lieve herinnering aan wat ik eens, lang geleden, zelf geweest moet zijn, komt onderstaande bijdrage van mijn goeden vriend Borel, (in het eerste nummer van den tienden jaargang van dit kind mijner jeugd-Mefde) me verrassen. Het mag niet ontbreken in het getrouw verslag van mijn „Feestelijke Ommegang", waarvan de Kroniek-tijd zeker een van de meest feestelijke perioden is geweest.

Het is nu al tien jaar geleden, dat een enthousiast jongmensen mijn studeerkamer op de Nieuwe Parklaan, in Scheveningen, kwam binnenloopen. Ik hóud van enthousiaste menschen, vooral als ze jong zijn. Er zijn zoo heel weinig geestdriftige jonge menschen tegenwoordig. De meesten — al klinkt het paradox — zijn te oud, en te voorzichtig, en te geposeerd. Gaat maar eens kijken in een zoogenaamd „chic" genoemde Bar, waar ze slungelachtig op een hooge tabouret hangen, met hun bleeke, vervelende gezichten naar den mixer gekeerd. Zijn dat nu jonge mannen?

Maar déze was er een, Johan Alberts heette hij. Nooit van gehoord toen. Maar er was een glans over zijn droomerige, vreemde gezicht, en er blonk vuur in zijn oogen toen hjj mij vertelde dat hjj een nieuw tijdschrift ging oprichten, en er geld voor had. Oók at iets zeer bizonders. Geestdrift èn jong èn geld! Het moest een pracht van een tijdschrift worden, met schitterende platen en rotogravures, dat artikels van de beste schrijvers moest bevatten, en gelezen moest worden in de allerbeste kringen, en daarom óók mondain moest zijn. Er zou zelfs een aparte mondaine kroniek in voorkomen, want de heele mondaine wereld en de diplomatie moest het nieuwe tijdschrift lezen.

Om dit laatste moest ik even glimlachen, want je hebt er zoo weinig aan, als je zelf geen kroontje boven je kaartje mag zetten.

Het jonge mensch wilde nu eenmaal mondaniteit in zijn tijdschrift, en waarom zou een tijdschrift óók niet eens mondain wezen en tóch waardevolle artikelen over kunst bevatten? Het meest was Johan Alberts trouwens bezorgd over de kunstwaarde. Hij had Couperus gevraagd, en Cyriel Buysse, en wie al niet, en ze hadden hem allemaal hun medewerking toegezegd, en Johan de Meester was er bij, en André de Ridder, en nog een heele boel meer litteraire pieten. Hij wist alleen niet — en ziehier nu het allerbeminnelijkste van den ganschen Erosiek-opzet, wèl waard

zelf geweest moet zijn, komt onderstaande bijdrage van

*) De Kroniek Jan. 1924

Sluiten