Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE. XVI.

I.

Mien,

Als je me nog om een andere reden dan voor dat snertboodschapje opzocht, zeg net dan, om G o d s wil zeg het dan. Ik ben te veel, te echt je man dan dat ik met zoo'n spelletje méé kan doen. Als je weer bij me wilt'komen, kom dan, nu, vannacht nog. Ga in nüjn bed liggen, zoodat ik je daar vind: alsof er niets gebeurd is. Dan kan ik met je praten. Onder deze omstandigheden is zoo'n ontmoeting als straks een misdaad. Ik ben er kapot van. Op deze wijze w i 1 ik je niet meer ontmoeten.

God weet h o e ik naar je verlang, hoe ik eiken avond als ik thuis kom eerst naar boven kijk, in de hoop, dat het raam open zal staan en dat j ij er weer bent, mijn alles, nüjn eigen, eigen lieveling.

Durf toch te zijn wat je met je heele ziel verlangtte zijn. Speel geen spel van „trots". Et doe daar niet aan mee.

Wat je van onze „sexueele verhouding" zegt is waar in een bepaalde, heel groffe sfeer. *) Maar in d i e sfeer is ons h e e 1 e huwelijk een leugen.

Mienie, lieveling, daar ontmoet ik je nooit. Daar kan ik alle andere vrouwen ontmoeten, alleen jóu niet.

Ik heb je z o o Hef, nüjn Aapje, nüjn lief, lief Aapje. Maar zooals vanmiddag w i 1 ik je niet meer ontmoeten. A11 e e n als mjjn vrouw, nüjn eigen vrouw en in o n z e kamer. Hier is een gulden. Ik heb hem net geleend. Eet daarvoor. Ik heb óok niets. J.

*) Hoort, hoort, grj honderden „idealisten", die hetzelfde tot Uw vrouwen zegt!

Sluiten