Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GODDELIJK TOERNOOI.

I.

Aan Alb. A. Plasschaert.

God de Vader zoekt, als elke eenzame, zichzelf. Dit is de eenige begeerte, die den Eeuwige bezielt: Zich uit te drukken. Hü begeert dit waar zün wezen hoogheerüjik is, vol troost en vol muziek, en Hü waard is gekend te worden.

Dus deelde God zich „in den beginne" in Schepper en Geschapene, opdat deze beiden elkaar zouden zien en (minnende) bestrüden en in het ideaal van hun twee-eenheid het Wezen Gods ervaren.

Aldus scheidde Hü in zichzelf Licht en Duister tot twee verscheiden elementen, en beeldde zich in Dag en Nacht, opdat deze elkaar zouden zien en bestrüden en naar hun durende vereeniging „op den jongsten dag" zouden verlangen als naar het goddelük Nirwana.

En Dag zag Nacht, en Nacht zag Dag, en zy' bestreden elkaar, elk kampend (ter wille van zichzelf en den ander en van de kennisse Gods) voor eigen behoud: opdat het wezen Gods zou leven en zichtbaar zün in het wetend verlangen, des nachts, naar het licht van den dag, in het verlangen, des daags, naar de rust van den nacht, in zonsop- en zonsondergang, in de benauwenis van den eindeloozen nacht en de vermoeiende vreugde van den eindeloozen dag. En rondom hun, nooit volkomen vereeniging, in ochtendgloren en avondschemer, lichtte vaag het bewustzü'n van het Eeuwig Wezen, en in hun felst contrast trilde de goddelüke Spanning, als een belofte, die, in de stofsfeer, niet in vervulling gaat: het Ideaal van den Eeuwige, die zü'n beeld der liefde twee-eenig in den eindeloozen strüd der tegendeelen steeds weer benadert.

Aldus deelde de Vader zich in vuur en water, (deelde Hü zich) in hemelsche bloemen en giftige kruiden, in ranke boomen en verstikkende lianen, in weelderige vruchten en nijvere insecten,

Sluiten