Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43

II.

Hoe graag zou ik nu gaan, in een bedevaart, van stad tot stad, slechts belevend al het „kwaad" wat daar, verstolen, rot en woekert. Geen kerk voor mü met hooge zon-doorschenen ramen, geen sociabele bezienswaardigheid, geen schilderachtige zonsondergang, geen „schoonheid" van' welken aard ook om mün dorstend hart te laven. Als een pelgrim der zonde, in een tijd van voos en zinledig fatsoen, als een hoon op al wat goedheid en schoonheid slechts uit Baedeker aanbidt. Voor mü de duisternissen, de stinkende bordeelen, de vergane lichamen, de badhuizen van den knapen-cultus, waar Satan grimmig heerscht. Voor mü slechts het verstoken, goed verborgen, onverloste „kwaad" der eeuwen, zóó lang, nüjn God, zóó lang, tot een kreet van matelooze begeerte uit nüjn ziel breekt, begeerte naar het betere, even eerhjk, even spontaan en menschelijk-waar als de kreet naar het Bordeel, die onzen tüd van al te duur gekochte braafheids-dogmatiek doorzindert.

En dan te bouwen, met de vrouw mijner liefde, opwaarts uit de hel der ontkende, misvormde behoeften (de eenige „hel", die te vreezen is), dan gezuiverd en verlost door een Hercules, die tot in déze sfeer zün liefde deed wortelen, en door die liefde

alléén demonen in engelen verkeerde opwaarts tot in den

aardschen hemel van een betere en eerhjker toekomst!

Sluiten