Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49

— Wij kunnen

— Uw machtigen steun

— Niet ontberen. , P. — Halt! Wie nadert daar?

Radium — Met Uw welnemen, Sire. Ik kom U even complimenteeren.

P- — JÜ?! Maak dat je weg komt! Eclipseer! Hoe durf je nüj, na mijn nieuwe triomf over die chronische ramp, die ze „omwenteling" noemen, onder de oogen te komen!

R. — Sire, het is

P. — Zwijg, mijnheer, en schaam U over Uw armoede. Jü, waanwijze schooier, die het Goud belaagt, omdat je geen goud kunt beheeren; die, met je hoofd in de wolken, en je zak vol menschlievende idealen, het niet verder hebt kunnen brengen dan deze stinkende lompen, en een schaamteloos leven waar de vrouwen in- en uit-vliegen als in een huis der ontucht. Ga, en verwü'der U uit het gezichtsveld van dit gezeten, godvruchtig gezin!

R> — Het zü dan zoo. Ik had U nog een laatste maal willen waarschuwen. Thans laat ik het woord aan de vrouwen in mijn Bohèmensfeer geboren, de vrü'en, de sterken, de bewusten, voor wier positieven wil der liefde Uw gedegen troon zal versmelten als de sneeuw voor den gloed van Gea's rozenvingerigen Proton. Sire, Uw macht heeft een einde.

(Radium ironisch buigend af.)

AKTE VII.

De Stem — Het nitrogenium is bezweken. Richten we thans ons alpha-vuur op het aurum, rrnjneheeren

(Een leger van blonde vrouwen, in losse witte gewaden, nadert van alle kanten. Het zü'n de alphandeeltjes, de positieve heliumatomen, licht brengend aan wien zü beroeren. Zü zweven zingend langs Proton heen, doch deren hem niet).

De Vrouwen:

— Wü zijn de Vrouwen Tot Vrüheid geboren, Moeders van 't Nieuwe, Dat aanvangt te gloren.

Sluiten