Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

ten nrisschien, misschien een half uur of een uur, tot een heftige twist tusschen een paar sjouwers me weer deed wakkerschokken en opjoeg, mèt een paar lotgenooten van zooeven, uit het Vondelpark, de Elandsgracht op.

Waar nü heen, in deze schier eindelooze nacht? Ik dwaal, half in droom, stadwaarts. De toppen der gevels van de smalle Berenstraat zün al zwakjes verlicht, in de straat zelf hangt nog loodzwaar het duister. In de bleeke klaarte van de Prinsengracht wuiven de nauw-zichtbare boom-fantomen, en zwarte menschenschimmen met resoluten stap bewegen zich over de bruggen. Het zü'n de eerstelingen, de dapperen, die den dag gaan openen. Een man komt uit een schuit en draait een motortje aan, dat het water uit een greppel moet pompen. Kittig tuft het machientje, dat méde den nacht tot dag helpt maken.

Een ander plan, dat onmiddelhjk ten uitvoer wordt gebracht: in een bekend café in de buurt, rendez-vous van de matineuse groentenventers, ga ik een kop „versche koffie" drinken. Het kost maar tien cent en büjkt een ware verkwikking naar lichaam en geest. Bovendien kan men hier gerust het hoofd op de Wel „vleien" en aldus rustig een uiltje knappen, óf wel de f aits et gestes van het hoogst gemêleerd publiek, dat hier aanlegt, kalm bespieden. Matineuze kantoorlui, een f rissche ochtendblos op de jonge gezichten, komen hier even bü de toonbank hun morgendrank nuttigen, twee ouwere kooplui verwü'ten met schorre stemmen en in weinig gekuischte termen een jongmensch, dat hü drie gulden heeft verduisterd, een ander komt hier zün leege aardappelzakken sorteeren. Het merkwaardigst is echter een stel, dat even later arriveert. De aanvoerder van de drie, een karakteristieke tuchthuis-kop, die door de beide anderen: slungerige zwoegers met paars-rooie drankgezichten en doffe water-blauwe oogen, met blükbaar respect wordt behandeld, begint direct met luider stem een verhaal. Zü'n „twee jaar voorwaardelük zün om", en bovendien „hü staat nou niet meer onder curateelen. Een „jongen" (!) van 43, die nog onder curateelen staat dat is toch ook te mal...". Dan vertelt ie van een opzending naar Rotterdam voor ondersteuning. Hoe ie by die meneer kwam en om een bak met koopwaar had gevraagd om te venten. „Meneer", had ie gezegd, en zyn stem imiteert weer precies de wanhoop, die hij er tóen zoo knap had ingelegd, „me-

Sluiten