Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

muziek in Gent vastgehouden. Ik doe echter alle moeite ze los te krijgen."

„Na onze catastrophe is het toen sukkelen geworden: eerst bij Stoel en Spree waar ik „draken" speelde, dat wil zeggen: draken waar toch altijd een draad doorliep, ,4ijn" in zat. Zoo speelde ik daar o.a. „de ellendige" in Lodewijk XI. Vervolgens het „Lyrisch Tooneel" (operette), en toen ook dat in 1903 door staking uit elkaar viel: Van Lier, waar ik Moriarty speelde in „Sherlock Holmes". Het publiek zat daar geregeld te rillen en te beven „zoo valsch was ik"."

, Vervolgens weer terug naar Stoel en Spree, en daarna het RembrandtTheater („De gescheiden Vrouw" e. d.). Toen kwam de oorlog en verhuisde ik met Kreeft en Pauwels (die me zoo'n beetje bü de inventaris rekenden) naar den Hollandsche Schouwburg. Dan volgt een langdurig „gescharrel", nu hier, dan daar (zoo met Nooy en Langenaken in het Rozen-Theater), tot ik verleden jaar bij Gabriël aanlandde. Op het oogenblik, bij Bouwmeester, bevalt het me opperbest: het is een van de beste directies, die ik ooit gehad heb".

Over de moderne operette is de heer Kiehl echter niet al te goed te spreken, zoomin als over de opvattingen onzer tegenwoordige „komieken", die hun kracht zoeken in de bespotting (in kleeding en gebaar) van hun generaals- en vorsten-rollen, personages, die er, volgens den heer K., ook op het tooneel tip-top moeten uitzien, terwijl de „komische kracht" heel ergens anders ligt.

De jubilaris denkt met blijkbaren weemoed aan de pittige muziek van de oudere operettes (Offenbach!) en het overtuigde spel van vroeger terug, en wie, die eenigszins geregeld de vele Duitsche operettes, die ons hier thans con brio worden opgediend, bezoekt, zal hem daarin ongelijk geven!

Sluiten