Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

meer dan eens gebeurde het dan ook, dat de voorstelling op het laatste moment door de politie werd afgelast. Zoo ook op een avond in Helmond. Nap trok het zich minder aan dan zijn collega, bestelde champagne en zette bij die gelegenheid, op het voorbeeld van de Duitsche klucht „Serenissinrus", met behulp van den auteur Schmitz, een Hollandsch stuk in elkaar, dat óók zoo'n politie-interventie verbeeldde: het werd het beroemde „Z'n Edelachtbare", dat meer dan duizend maal achtereen werd gespeeld!

Ten slotte nam ook dit, mede door verschil van meening met Koos, die een anderen kant op wou, een einde, en stortte Nap de la Mar zich in de operette: eerst „Filmzauber" e. d, met Morisson, Beppie de Vries en Emmy Arbous, dan het „klassieke" genre van Offenbach, waarmee hij dweept, rijk gemonteerd; daarnaast de Revue met Louis Davids e.a., èn ten overvloede een „Volkstooneel". „Die drie bakbeesten van gezelschappen heb ik toen een paar jaar lang alléén geleid. En het ging goed.

Leider zijn is mijn lust en mijn leven, maar het ongeluk is, dat ze me meestal bovendien zélf op het tooneel wilden hebben, en dat is mis. Een regisseur en leider moet zelf niet spelen.

Dat was anders een prachtige tijd voor ons kunstenaars, die oorlogstijd: de menschen konden het land niet uit en dat kwam ten goede aan de Hollandsche kunst. Na de operette, die strandde op de tegenwerking van theater-directeuren, waarmee ik „op deeling" speelde, en die het kunstje hadden afgekeken en nu op eigen gelegenhid begonnen, probeerde ik het nog eens in een andere richting: „Het Kleine Tooneel", met Cor Ruys en Tilly Lus, met wie ik eveneens een paar jaar gezellig samenwerkte. Toen was dé oorlog echter uit en kwam de „klad" er bü ons in: de menschen reisden voor een appel en een ei overal naar toe, zagen in Berlijn en Parijs het beste van het beste voor een paar Hollandsche centen en slikten als ze weer thuis waren niets meer. Ik ben toen maar weer naar den tingel-tangel verhuisd, omdat ik daar tenminste nummer één ben, en eigenlijk ben ik daar nóg, al hebben ze me

op het oogenblik leelijk vergeten De directeuren mógen me niet, ze

vragen me niet meer, óók om de vrij hooge gage, die ik eisch. En daar ga ik niet ónder. Ten eerste omdat dat principieel mis is en het begin van het einde, en ten tweede omdat ik véél uitgeef, méér dan ik kan, eigenlijk "

„En wat zou u nu het liefste doen?"

„Van alles. Ik kan van alles. Eerst speel ik nu, deze week al, „Nero" in het Grand-Theater, het „oude recept": een ouwe heer, die een huwelijksbureau er op na houdt enz oovoort. Dón moet ik jubelen in Januari, en daarvoor was een stuk van wat hooger gehalte noodig. Ik koos „The Adventures of Ambrose Applejohn", een uitstekend stuk, verrassend en met een aardigen dialoog "

Natuurlijk komt het gesprek op de filmkunst. Nap gaat zelden naar de bioscoop: „het scenario en de intrigue bevallen me niet. Noch ga ik bü voorkeur hier in Holland naar den schouwburg. Als ik uitga is het naar het circus!"

Nap'? oogen beginnen hier te glinsteren en in een ware extase roept hq in enkele trekken het beeld van het circus op: de heerlijke lucht van de

Sluiten