Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

vreest. Het wordt toch wel „wat", en het is altijd pittoresk. Al geeft het geen blijheid en zelden geluk. Hetgeen natuurlijk evenzeer geldt voor de geliefde karakter-typen, als de Larensche, syphilitische, mensch-gedrochten, de „knappe" krankzinnigen van v. Herwijnen, de cocottes en nachtorjeg-idyllen (v. d. Hem), e. d.

Tot de weinigen, die deze b 1 ü h e i d vermochten te benaderen, die altüd kinderlük is, en overal vü'andig staat tegenover het gewetene, tegenover maatschappeüjkheid en eigendunk, behoort Thüs Maris, slechts heel sporadisch en dan nog schijnbaar toevallig in de verzameling^Drucker aanwezig. Hü was voldoende welt-fremd, in den goeden zin, voldoende wezenlijk en blü'vend één met die sfeer waarin het vormelooze op vorming wacht, om „het penseel der vreugde" te kunnen hanteeren. Wie kent niet (uit afbeeldingen dan!) zün meisje met de vlinders, e. d. En waarom is büna niets van dit alles in onze musea te vinden, en wordt er nauwelijks moeite gedaan naast het vele en vage klodderwerk van vaak half-machteloozen of slechts door de ruwe storm der passie bewogenen (onder de laatsten: Jan Sluüters, met uitzondering van zü'n wel liefdevolle kinderportretten slechts „gaaf" binnen de grenzen van .zün acute drift), iets méér van dezen kinderlijken schenker van het broos geluk te verwerven?

De eenige onder onze Hollandsche schilders, die men in dit opzicht naast hem zou kunnen noemen, is de jonggestorven Jan Mankes. Toch is zün subtiele beelding, die zich op de grenzen van het volslagen „ehterische" beweegt van een geheel andere soort als die van Thüs M. Ze is in wezen melancholiek, het werk van een droomer, die het geluk wél vindt in de sfeer-van-wording waar alle dingen van de last der materie ontheven zü'n, maar er tegelijk onder hjdt. Zün schilderü en weenen, sóms om het geluk zélf, sóms om de gevoelde machteloosheid van het tóch onvolkomene. Wie kent niet zün „Geitje", en waar is dit schilderü? Waarom krijgt het publiek juist déze doeken niet te zien? „Spreken" ze te weinig tot de kunstkoopers en autoriteiten? O, het is wel moeihjk de stem van de stilte te verstaan. En misschien worden ze ook vastgehouden (enkelingen als het, uiteraard, zün) door devote vrien-

Sluiten