Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

IV.

Kosmische gelijkenis. — Overgang. — Aio. A. Plasschaert en Lod. o. Deyssel.

De kwestie of het geschilderde portret al of niet uiterlijk moet „lijken", is, dunkt me, geen kwestie meer. M.i. is wat Fred. v. Eeden reeds jaren geleden „kosmische gelijkenis" noemde, de meest geëigende en eigene voor een tijd waarin de balans noodwendig naar de primaire waarde van het innerlijk moest overslaan. De dwaze verwaarloozing van den uiterlijken vorm, die daarmee gepaard gaat, kan niet anders dan gunstig nawerken op een komenden tüd, waarin het verband tusschen (immers slechts in onderlinge verhouding bestaande) „innerlijkheid" en „uiterlijkheid" weer harmoniscch kan worden gezien. Dat die tijd niet ver meer is blijkt wel uit de reeds pijnlijk voelbare reactie (in leven en kunst): een reactie waarmee de, destijds plotseling in een hoek getrapte (en daarnaast natuurlyk verkeerdelijk verheerlijkte) materie haar eereplaats naast, d. i. in levende verhouding tot haar „geesteujk" zusterelement tracht te heroveren.

Dit moet op den duur tot een nieuw, gezond evenwicht leiden, waarmee dan tegelijk een nieuwe „cultuur" is ontstaan.

Het hjkt nüj niet gewenscht hier (noch trouwens elders) veel te zeggen van die „stoutmoedigen", die zoo schilderachtige pogingen doen om mensch en ding door een vernuftig gebogen üjn of een bloote, al of niet aesthetisch aandoende „kleur-compositie" voor te stellen. Zü hebben, dunkt me, den geest huns tijds té goed begrepen. Hun gemakzucht (of impotentie), die naar een nieuwen vorm greep alvorens den, primairen, overgang in eigen (en Kosmisch) innerlijk voldoende te hebben beluisterd en beleefd, brengt bovendien hun kwalificatie van „kunstenaar" (voor zoover het kunstenaars zün) bedenkehjk in gevaar, hoe waardevol ze ook overigens mogen zün als symptoomgeval, splijtzwam of, zoo men liever wil: als profeten en martelaren voor een algeheele reorganisatie in de kunst.

Sluiten