Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELEGIE.

OZinnen, gij sprankelende bronnen van levenskracht en fantasie, dauw en regen voor de bloesems van het vernuft, rudschende wind door de roerlooze kruinen van den verstilden geest — gü wekkers van liefde en onheil, toortsen en dwaallichten, boeien op den weg naar het Hart der Schepping en in den Afgrond der buitenste Duisternis — wat ware ik zonder U, en wat ben ik mèt U ?

Gü heerlük vierspan waarmee ik den Berg besteeg! Dat mij als een beschonkene, als een hoogte-dronken dwaas in den Afgrond reedt!

Ik zegen u, met grooten vreeze, als uw rusteloos 'getrappel in den stal nüjn lust tot leven wekt En nog dank ik u in stilte, als ik u, na den tocht, weer vloekend in uw duistere hokken sluit. Züt ge dan sterker dan ik?

Ik heb u immers lief, nüjn dierbare doidriftigen, omdat ge büna zóó sterk züt als ik zelf. Omdat ge mü steeds weer tart tot den kamp. Omdat ik al nüjn geestkracht, mü'n wil en spieren behoef om u te leiden. Omdat gij mij het Licht belooft, dat ik bemin en toebehoor, en mü met de Hel bedreigt, die ik begeer. Omdat ge me léven laat, léven... Ai, nüjn Zinnen, hoe eindeloos is ons verbond, hoe eindeloos-onzeker en hoe eindeloosheerhjk!...

Als de vrouwen zü't ge, mijn Zinnen, die men beluisteren moet omdat ze den weg kennen waarnaar men ze vraagt; die men tuchtigen moet als ze haar eigen wegen gaan, redeloos, zonder doel en zonder wil. Dien men danken moet al wat waarhjk goddelüks in het Leven ontbloeit, die men vreezen moet, eiken ademtocht, omdat ze vernietigen wie niet sterker is dan zü, wie niet beter, krachtiger en lévender is dan zü'.

Als de vrouwen züt ge, die ons bedreigen opdat we niet zullen inslapen, die uitdagen opdat we ons zullen verdedigen, die ont-

Sluiten