Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPROKE.

Telkenmale als de jonge koning, gezeten voor een raam van znn paleis, op zün hoofdstad neerzag, op dien grauwen wir-war van daken, schoorsteenen, torens en puien, moest rüj eraan denken hoe aan elk dier huizen leed en zonde kleefde, leed en zonde van hen, die ze bouwden, de duisteren en ontevredenen, de door het leven misdeelden, leed en zonde van hen, die erin moesten wonen en hun eigen kwalen voelden versterkt door de sfeer, die om het bouwwerk hing.

En zoo rijpte in den koning het plan een huis te bouwen, een GodsHhuis van melkwitte materie, waarvan elke steen in vreugde was opgelegd, waarvan elke bint en balk in onverduisterde hefde en in onverdeelde aandacht was gevoegd.

Den daad, als steeds, bij het woord voegend, riep de koning dus allen tezamen, die aan het Gods-huis mee wilden bouwen en aan de voorwaarden: van Hefde, vreugde en offering, meenden te kunnen voldoen. En hü stelde zichzelf aan hun hoofd.

Het bleek niet licht. Zelfs niet voor den koning. Vooral voor den koning niet.

Toen de steenen werden aangevoerd, ontstond er reeds ontevredenheid onder hen, die ze moesten lossen, niet zoozeer om de geldelijke vergoeding als wel om het feit, dat allen zich wèl geroepen voelden tot bouwen, doch slechts enkelen óók wilden steenen sjouwen. Men kwam büeen en sprak er reeds over te staken tot het conflict zou zün bygelegd.

Doch de jonge koning, hoezeer gegriefd en ontsteld, overwon zichzelf. Beangst als hü was, dat de oude sfeer ook dit gebouw zou doordringen, begaf hü zich persoonüjk naar de steiger, en kruide zelf de steenen weg. Toen volgden allen zün verheven voorbeeld, en er was slechts vreugde op de terreinen, waar men ook keek

Tot het cement voor de fundeering, en de kalk voor de voegen moest worden gemengd, en de architecten en teekenaars volhielden, dat dit hun taak niet was. Of, weer later, toen de

Sluiten