Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat jü, met je wreede jaloezie, immers het eenige was geworden wat ik nog in mijn leven bezat. Tot je me weer neersmakte, gebruik makend van een oogenblik van zwakheid van mün kant, om al je laagheid, die in jezelf woont, op nuj uit te storten en in nüj te attakeeren. O, ik had geen weerstand, omdat ik anders ben, en ook, omdat ik misschien te eenvoudig-weg van je hield. Ik hoef je die lüdensweg niet verder te vertellen. Duizend maal heb je me afgebroken, gegeeseki, misvormd tot wat het laagste en gemeenste was in jezelf, en duizend maal weer naar je toe getrokken als je lust tot zelfvernedering was uitgewoed — als een pop, als een vod, als een niets. Jk ben bü

je gebleven, omdat ja, waarom, omdat ik je had liefgehad

en me aan je was gaan hechten, en omdat een mensch dat wat hü in zün éérste groote vertrouwen heeft weggegeven, nooit

meer terug kan nemen Maar nu, na vanavond, is de „rek"

eruit Ik wil niet meer weten „wat" ik ben, of ik je al of niet „wiaarddg" ben, of ik al of niet je vrouw kan, mag of moet zün.

Ik wil niet meer weten wat jü al of niet bent een „dichter"

zal je wel zü'n, te groot voor dit leven en te groot voor de hefde en véél te groot voor nüj om nüjn eenvoudige dingen aan te

geven Ik weet niets meer, ik ben niets meer, en ik zal je

nu dooden "

Vanzelf en als vooruitgericht greep ze het vouwbeen en liep,

op haar teenen, door de alcoof op zün bed toe. Daar lag hü'

Waar? Die lichte plek is zün hoofd

Ze stond, en voelde vaag het theatrale van het steek-gebaar, iets wat ze weêrszü', in hun peillooze, eindelooze analyses van mensch en ding, zoo graag en zoo vaak belachelijk hadden gemaakt — en overwon het, door haar moeheid, die te hevig was en zich niet liet overluiden.

Toesteken nu maar toen zag ze hoe lüj aan weerskanten

bloot lag, koud, doordat hü' het divankleed niet had durven instoppen, dat ze hem verboden had te gebruiken omdat het niet kreuken mocht. Dat had hü dus niet gedaan Het divankleed, een oud Sinterklaas-cadeau En haar zwarte jasje

lag op zün voeten En al wat ze samen hadden gedaan, in

leed overdacht, beredeneerd, leefde op zoet en pijnlijk

voelde ze als een eigendom, waarboven niets uitgaat in dit leven

108

Sluiten