Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFBRAAK.

Voor ]. de H.

Dood wenkt je, Kleine meid. Maar wie in 't leven Zoo licht en vrageloos zich gaf Glijdt licht en vrageloos In d'Eeuwigheid.

Maar ons, den sterken en den gróóten, wee!

Wü zü'n den Burcht gelijk,

Die, door den Tüd belaagd, besnoeid,

Zich moeizaam geeft,

En steen na steen,

In pijn na pijn,

Verliest.

En Tüd gaat over hem,

Glimlachend, heen:

In 't licht der Eeuwigheid,

Dat zich het need'rigste ontfermt,

En sust in Slaap,

Bhjft hü — zü 't als grotesk' —

Zich-zelf gelük

Geef ons de Vrouw, o God,

Waarin wat a 1 te groot is

Tijdig kan gebroken!

Geef die Vernedering — opdat aan mü,

Als 't zoover is,

Uw Dood gemeenzaam zü.

Kerstmis, 1924.

Sluiten