Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN EEDEN ALS ROOMSCH SCHRIJVER.

De Kerk als gedaagde.*)

In zün laatste boek, het derde deel van het destijds zoo schoon ingezette „Sirius en Siderius" toont Fred. v. Eeden zich weer eens recht het „enfant terrible" züner nieuwe familie. Met dezelfde naïeveteit waarmee hü nog steeds in dit milieu de ware broederlüke liefde bhjft zoeken, gaat hü dóór haar huishoudboeken en geheime archieven met Jan en Alleman te bespreken, en tegenover Jan en Alleman te... „verdedigen"! Die verdediging lukt den schrü'ver van „De Kleine Johannes" natuurhjk nergens, en zeker nergens van harte. En waar aldus die. arme Kerk, als gedaagde-quandHmême büna overal in dit zalvend requisitoir van een harer „eigen" lidmaten een zot figuur slaat, daar vraagt men zich toch wel eens nieuwsgierig af hoe zü zelf zich bü dit alles wel moet voelen!

Erg blü

zullen ze met dit nieuwe schaapje in Rome toch wel niet zün. De Pater-Jezuïet, die v. E. hier als verpersoonlüking der „Moederkerk" invoert, verkondigt (der werkelü'kheid getrouw) de onbenulligste dingen. Als hü al eens iets van waarde zegt (vergelü'k de nood-gedwongen en zeer diplomatieke „moderne" richting in de Roomsche „Kunst"!) dan is het onder pressie van den jongen Sirius, een „vrüe geest", zuiveraar en hervormer, wiens eindelüke, half-slachtige „bekeering'' er door den schrijver aan de haren wordt by gesleept. Ziet van Eeden zichzelf als dezen Sirius ? Is het nog steeds zü'n droom op een wit paard aan het hoofd van een soortement Walden-legioen de wereld te veroveren? En tracht hü' dit thans, bü gebrek aan een waardiger, eigen weg, door middel van een bestaande organisatie te bereiken ? Hü' hoede zich toch, als goed zoon van de Kerk, voor dit

*) Sirius en Siderius III; W. Versluys, A'dam.

Sluiten