Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

het dagelijksch brood voor hem verdienen. Aldus wordt Jóhann souteneur (Moabit, la Villette of Yoshiwara).

Als de dagtaak voleindigd is

Als de dagtaak voleindigd is, vinden we ze allen in de kroeg. Het gesprek is levendig, en eindigt in een prachtig kabaal en een gemeenschappelüken exodus. Ze dolen in de allerbeste kameraadschap door de stad. Op het plein zün de meisjes rondom de waterput büeen. De vier mannen schrikken terug en vluchten in een gastvrije herberg. Straks opnieuw op straat, voert hun weg ze langs het Hotel Central, waar de kamermeisjes met kanten mutsjes uit de ramen en van de balcons hen lokkend toelachen. Ze wenden zich om en hollen opnieuw de stad in: over drukke boulevards met hun auto's, drentelaars en krantenverkoopers, door parklanen met hun vrijende paartjes en lokkende nymphen, over monumentale bruggen waaronder het zwarte water vloeit. Tenslotte belanden ze in het labyrinth der duistere stegen en roode lampjes. Reusachtig groot treedt Jóhann hen hier tegemoet en houdt ze de Vrouw voor. Ze vluchten opnieuw als bezeten en belanden bü de grens van de stad.

Een eindelooze, zonbeschenen vlakte ligt voor hen open.

Vlinders dartelen van bloem tot bloem. Een lommerrijke weg voert een heuvel op, waar ze John vinden zitten, peinzend starend over het land aan zü'n voeten.

Hü alléén begeert het „betere" in dit leven. Hü' droomt van schoonheid en poëzie.

Zie hem nu, in een lichte, propere kamer voor zü'n werktafel, blanke onbeschreven vellen papier vóór zich, een potlood in de hand. Zie hem, op dezelfde plaats, en terzelfder tüd, voor zü'n schildersezel en klavier, omringd van de angstig-bewonderende spookgezichten van Jan, Jean, Jóhann en Iwan. Hü' wil scheppen, en zoekt in den hemel om mspiratie. Dan daalt voor zü'n geestes-blik een lichtende vrouwengestalte omlaag. Ze wenkt hem: ze wenkt hem méé het leven in, het rijke, volle menschenleven. Hij volgt, en achter hem volgen de somberen, de zwü'gzamen, de bedeesden.

Sluiten