Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

145

Ze leidt hem, als een goede genius, naar de kunstcentra: ateliers, tentoonstellingen en concerten te Parijs, te Berlijn, te Weenen en Petrograd. Ze leidt hem naar Florence en Napels.

Als hn neerzit, en schrijven wil, als hü schilderen wil en musiceeren, ontbreken hem echter het penseel, het potlood en het instrument. Een beeldschoon kind van Napels reikt ze hem Hü arbeidt, en een zaal vol mannen en vrouwen lustert straks gespannen naar zü'n lied. Als hü' ontwaakt uit zü'n hemelsche droom, ligt het kind van Napels dood aan zü'n voeten.

Vérder voert hem de Muze!

Nu gaat het een berg op. Ze wüst omhoog en op den top ontwaart hü' den Tempel der eeuwige Inspiratie. Goud gloeien de koepels in den middag-zon.

Hü' stijgt, een koude bries strü'kt hem langs het voorhoofd en de lange, donkere lokken. De somberen volgen hem, moeizaam. De wereld ontzinkt aan zü'n voeten en wordt een dorre, monotone vlakte. De zon neigt naar de kim. Zijn stap wordt trager, zü'n haren grü's. In het nakend duister vervloeien de kontoeren van den tempel tot die van een kleine, houten woning. Daarbinnen brandt licht. De schoorsteen rookt.

Als de nacht is gevallen ligt de Dichter voor het Huis: een oude man met witte haren.Duizend gloeiende oogen küken gespannen uit het duister op hem neer.

Hü sleept zich tot voor een venster en klopt.

Dan gaat de deur open en treedt Christus, de Heiland, hem tegemoet.

„Zie", zegt de Heer, „ik ben de Middelaar, tot Wien Uw geloof in de Vrouw U heeft gevoerd. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Kruis."

Aan het Kruis op den Berg hangt de Zoon van God, mét het gelaat van Jan, Jean, Jóhann, Iwan en John, en een koor van Vrouwen zingt Hem het Halleluja toe.

Sluiten