Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEVENSLIED.

Pastorale.

Het waren twee aardige menschen, Een dichter, en dus... profeet, En een lachende blonde rakker Waarvan ik den naam niet meer weet. Ze vonden elkander spelend, Maar al spoedig „ontdekt" zoo'n man, Dat je zonder de „errenst des levens" Niet dichten noch minnen kan.

Ze waren zóóveel voor elkander,

Die dichter en dat kind,

Dat je hem, zónder haar, bij de „hoeren"

Of... op den Parnassus vindt.

Het waren twee aardige menschen, Nu is het een droevig paar Want wat ze in verzen schreven Dat ontnamen ze aan elkaar. Ze hebben nu zware konflikten En trekken een zuur gezicht En wat ze eens samen beleefden Dat wordt nu een lyrisch gedicht.

Nog zijn ze zóóveel voor elkander, Die dichter en dat kind, Dat je hem, zónder haar, bij de hoeren Of... op den Parnassus vindt.

Sluiten