Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

Toen gingen z' elkander verwijten Hun somber en zonloos bestaan Met de lachende, luchtige liefde Was het daarna voor immer gedaan. De één is nu sterk vóór een kwestie, Die de ander heftig bestrijdt. Dat is „leven", zoo schimpten die dichter En die aardige, lachende meid.

Toch zijn ze zóóveel voor elkander, Nü juist, nu het „leven" ze bindt, Dat je hem, zónder haar, bij de hoeren Of... op den Parnassus vindt.

Zoo zijn ze toen oud geworden, Die tragische poëet En zijn schat, die nu van de „kosmos" Méér dan hij van gedichten weet. Eerst toen de dood hem verloste Op het dichterlijk veld van eer Kwam de glimlach uit vroeger dagen Op zijn magere wangen weer.

Ze waren zóóveel voor elkander, > aö, Hun korte leven lang! Hij stierf „zonder naam", bü de hoeren, Zü dichtte een grafgezang.

Sluiten