Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

166

van kleur en technisch meesterschap in de overdaad schuil gaan!

Na het Rijksmuseum bracht ik hem naar een tentoonstelling bij Fetter, van den Europee schen Japanner Fouiita: ijs-witte vrouwen zonder veel méér détail als de met feillooze zekerheid gelijnde kontoeren en, soms, een minutieus bewerkte haar-tooi en sprekende oogen Ze missen, volgens F., juist die bepaalde „sensualiteit", die ze... nu ja, levend en belangrijk zou .maken. „Een niet te onderschatten factor in het leven" noemt F. deze, veelbesproken, zinnelijkheid (de roode lap voor ons, kinderen van het Noorden). Alles draait, voor hem, om deze leven-wekkende libido, en hij gaat zelfs zoover de daadwerkelijke consequentie van de lust als zoodanig te willen uitbeelden (netjes omschrijf ik dat! O, in deze mantels der liefde zijn wij, regentenzonen, wel specialiteiten!). Vooralsnog deel ik dit verlangen niet en geloof ik ook niet, dat hij er ooit toe komt.

Voorloopig volgen we onze lust, al drentelend en savoureerend (er zijn van die momenten waarin tot elk deeltje van de lucht je een belangwekkende levens-openbaring toeschijnt) slechts tot Ognibeni, de kleine Italiaansche kroeg, waar we Muscato drinken aan een tonnetje en kostelijke Salami eten. Dan breng ik hem naar de wachtkamer van het station („waar een zekere „sfeer" is") en drinken we nog een kopje thee.

F. houdt ervan, als een gewoon en zelfs „familie-ziek" mensch „naar de trein te worden gebracht". Er zijn van die momenten in zijn isolement waarop hij zich deze sentimenteele menschelij kheid als een exkies genot laat welgevallen.

De andere dagen waren niet minder genoegelijk. Een bezoek aan de magazijnen van het Sted. Museum, een kelder-achtige werkplaats met lijsten, stucnmaquettes, gipsen koppen, en een sfeer van wonderlijke onwereldsche ernst, waar F., ongelooflijk handig, een doek gaat opspannen. Het is een Spaansch landschap, uit zijn, nu reeds lang verloochende „moderne" periode. Dan: thee met cake in Louis XVI, waar hij me veel van Londen vertelt

En intusschen draag ik mijn hart, mijn arme, droeve hart zoo zwaar, zoo zwaar! Het is of alle onuitgezegde teederheid, die ik haar wil toezenden, erin samen-kropt, of het barsten zal, als een over^groote, al te strak gespannen zeepbel, bij de eerste

Sluiten