Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RECENSIES

„Feestelijke Ommegang"

Deel III.

Henri Borel in „Het Vaderland":

Van een Enfant Perdu in onze litteratuur.

Over Joh. C. P. Alberts, die tot de zoo goed als verdwenen Sainte Bohème behoort, heb ik vroeger al eens in dit blad geschreven (het Vaderland van 30 April 1922 „Van een Armen Dichter") toen ik de eerste twee deelen van zijn Feestelijke Ommegang besprak (uitgave: N.V. Electrische Drukkerij Luctor et Emergo, den Haag).

Thans is — durfde geen enkele officieele uitgever het meer aan? — het derde deel bij hem zelf verschenen. Helaas, een gedeelte, een al te groot gedeelte er Van is weer „bundeling" van onbelangrijke, vluchtige courantenartikelen en van selectie heeft deze Bohémien nog altijd geen begrip. Gelukkig staat er ook véél goeds bij, en daarover wil ik het thans hebben.

Als ik over Alberts ga schrijven, voel ik altijd een zekere piëteit. Deze, nog jonge man staat zoo alleen, zoo verloren, zoo schijnbaar strijdhaftig, maar inderdaad weerloos, als een „enfant perdu" in onze litteratuur. Welk een verschil met de deftige, gearriveerde, geposeerde „let-ter-kutdi-gen", die bü de opening der Tentoonstelling voor Letterkunde om hooge autoriteiten heenstonden! Hü lijkt daar een schooiertje bü, een paria, een mislukte, een raté, maar toch, zoo er in Nederland, zooals in China, een God van de Litteratuur bestond, zou deze hem tot zün lievelingen rekenen, en in Albeii's verwarde biografische en litteratuur-fragmenten stroomt méér edel menschenbloed en woont (zooals van Eeden van hem getuigde) meer „diep en vroom Godsbesef", dan in menigen knap geschreven, goed gelukten roman van geëerde arrivisten met officieele litteraire positie. Wie niet uit den chaos van dit deel Feestelüke Ommegang, waar helaas veel te veel waardelooze ballastbundeling in staat, een gefolterd hart ziet bloeden en een in allerlaagste vernederingen gemartelde ziel van uit haar afgronden om haar God hoort roepen, zóó, dat de blinkende engelen aan hooge hemel-

Sluiten