Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

Ernst Groenevelt in „Het Getij":

Een boek van 'n 20e Eeuwer.

Deze 20ste Eeuwer is een prachtige losbol, die zich geen sikkepit aantrekt van de literatuur. Hij schrijft voor de vuist weg. Raak — Niet raak ? Ook goed. Hij houdt van rukwinden en klapperende vlaggen in de bries. Dit is een overmoedige, die in zjjn handen klapt, omdat hij alles kwijt is, wat hem vast hield aan het traditioneele leven. Zijn laatste dubbeltje viel in 't water en nu gaat hjj 't leven door: opgelucht: een feestelijke ommegang. —

Er zjjn niet veel menschen, die feest kunnen vieren. Pret maken? O ja, pret maken tot in het baldadige toe: pret. Maar feest vieren; dat kunnen alleen heel sterke menschen; prachtmenschen, die hun laatsten stuiver durven verfeesten. Wij, wjj durven zoo 's een keer wel er 's de eerste vijf gulden aan een feest te wagen. Maar den laatsten stuiver? We zijn veel banger en krenteriger op onzen laatsten stuiver, dan op onze eerste vijf gulden. Daarom mislukken onze feesten, onze échte gróóte feesten altijd. Ze stranden altijd op een dubbeltje, terwijl ze met guldens van stapel geloopen zijn/

U begrijpt me ? Ik bedoel, dat we te weinig de tegenstellingen aandurven, waar we ons aan op kunnen trekken naar omhoog, boven het gewone, het traditioneele uit.

Als ik — om nu maar het allerergste uit te zoeken — als ik b.v. lees: „Soms lijkt het me beter aan je begeerten te gronde te gaan, dan begeerteloos het eeuwige leven te bezitten", dan weet ik wel, dat velen al van plan zijn het boek dicht te klappen. Een slecht boek.

U is een slecht mensch, want deze regel uit dit wonderlijke boek vol van tegenstellingen, deze regel was nu precies net noodig om de geestesgesteldheid van u zelf te bepalen. En die i s thans bepaald. U is zoo ontzettend begeerteloos, dat het wel eens noodig zou kunnen- worden u te herinneren aan een woord over heet, koud en lauw uit de Openbaringen.

Deze 20e Eeuwer is niet begeerteloos. Hij is zoo vol van felle begeerten, dat hy zich niet meer houden kan en midden tusschen al de zwarte bladzijden met proza breekt dit lichte witte verlangen uit in een vers:

O Heer, laat mij in zonde en blaam Nog zingen d' eere van Uw naam.

Dan weet ik als ik onderga, Als ik in 't diepste duister sta, — al hoor ik niet Uw wedergroet — Dan weet ik hoe ik roepen moet.

O Heer, laat mij in schande en schaam Nog staam'len d' eere van Uw naam.

Terwijl ik dit gedichtje in al zijn simpelen eenvoud voor u overschrijf, doorschieten mij de pijnlijkste gedachten. Deze feestganger leeft veel

Sluiten