Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na

dichter bij zijn Maker dan de kniesooren, die te wurmen zitten en klaar staan om bij schande en schaam van anderen zoo luidruchtig te lawaaien, dat de roeper niet meer verstaan wordt en de wedergroet niet meer wordt opgevangen.

Maar 't baat niet. De feestelijke ommeganger ziet naar de vogels. Hij luistert naar 't geploeter van de menschen niet. De vogels nemen zijn roep mee naar omhoog:

Wij zijn van éénen Maker, enz.

Een belangrijk hoofdstuk is dat der liefde in dit boek Als we die bladzijden lezen, vragen we tot ons zelf, of wij wel leven. Hebben wn' wel ooit zóó lief gehad, als dees feestganger? Zóó fel, zóó bewogen, zóó tragisch, zóó hevig, zóó echt, zóó eerlijk, zóó ontzettend, zóó prachtig, zóó onverwinnelijk? Deze feestganger maakt ons tot de aansprekers van ons eigen leven. Wat hebben we er van terecht gebracht? Begeerteloos, harteloos, levenloos. O, onze liefde; is dat een vlam geweest? Vernielend, schroeiend ? Of is dat een heel gewone alledaagsche bezigheid, of niet eens bezigheid, alleen maar een gewoonte geweest ?

Het zijn telkens de tegenstellingen, waaruit dit feest opbloeit: „Als Gij dus wilt, — aldus bidt hij — dat dit lijf nog tot iets anders zal dienen, als om in liefdesstrijd te vergaan, doe ons dan zóó fel en onophoudelijk lijden, dat we tenslotte niet anders meer kunnen, als luisteren naar Uw bevel; vóór het te laat is."

Dit is het geheim van dezen feestelijken ommeganger.

* * *

Het is een te sterk boek, dan dat ik het zwakkelingen in handen zou willen geven. Och we zijn zoo bang voor tuimelingen, dat we dit boek maar stilletjes ongelezen moeten laten. Tuimelen laat deze feestganger u. Zoo van de hoogte in de diepte, dat ge er niet meer van kunt opstaan — tenminste, als ge te veel ballast bij u draagt. Zijt ge licht als een veder, dan valt ge niet.

Wat een wonderlijk boek is dit van dezen wonderlijken mensch. Een vogeltje op een tak. De tak zegt krak, en 't vogeltje valt niet, maar fluit een melodie naar boven. Doe 't 'm maar 's na! Onze melodie zou „au!" zijn en au! en och! en wee! en t feest lag in duigen. —

Er staan in dit „malle" boek heel veel dingen, die er ook best uit hadden kunnen blijven. Neen, ge vergist u. Er staat van alles in. Zooals op een feest ook van alles is. Op een écht gróót feest ziet u. Niet alleen limonade met een taartje. Ook champagne (gekocht van de laatste stuivers). Deze dichter, deze onbezonnen mensch, deze gelukkige levende ziel, deze blije dankbare feestganger brengt ons op allerlei wegen. Hij voert u langs allerlei grachten, steden, landen en menschen. Hij stelt u voor aan allen en allen stellen zich voor aan u; dan ineens rukt luj u mee weg van alles en neemt u op:

Sluiten