Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

eens heffen, hebben opgelegd, keeren we ons om en zeggen: „kijk, dat hebben wij gedaan... zou deze steen soms niet een nieuwe „richting" beteekenen... wéér wijst dit alles op en welke stijl zal daaruit groeien?..." En we laten ons catalogiseeren, vele „vrienden-handen" zijn gereed de „invloeden", die op ons werkten en de „belofte", die onze twee of drie steenen inhouden, nauwkeurig uit te pluizen, met het gevolg, dat geen enkel gebouw verrijst waarvan de stijl (alweer: doel en opzet van al onze betoogen!) niet vol verstandelijke coupures zit, vol vreesachtige wendingen en concessies — en de critiek als zoodanig alle waarlijke schepping overvleugelt.

De „staat van dichten" zou men kunnen vergelijken met den slaap, toestand waarin het verstand niet meer door stoffelijke begeerten, noodzaak of dwang wordt gebruikt, doch uitsluitend door inspiraties van subtieler orde. Welnu, kent U die vreeselijkste aller kwalen: de slapeloosheid? Ze komt slechts voort uit een overmaat van kritiek, van verstandelijke verwachting, van wanhopen en willen, van probeeren en zichzelf de wet voorschrijven. En het is om deze rede, dat men geneigd is allen critiseerenden dichters, allen „stemmen uit de woestijn" toe te roepen: „laat ons kunstenaars toch slapen in den schoot van dezen tijd! Als er iets te zeggen valt, op eigen, nieuwe wijze, we zullen het uit onzen slaap als een Gods-gave voor U meebrengen. Maar om 's Hémels wil houdt ons niet in deze sfeer van ontrafeling, persoonlijke ambitie en verstandelijk enthousiasme gevangen, die niet de onze is, en schrijft aan onze droomen de wet niet voor!!"

Ik begon met U te schrijven, dat ook mijn „lach dood is en mijn blik verdoft". Ik geloof, dat dat goed is. Onze tijd dicht nog niet. Het ware beter haar aard wat nauwkeuriger te bestudeeren (te beleven) dan haar tot... dichten te dwingen of zelfs maar één te sporen. Mijns inziens wordt in deze dagen de nieuwe poëzie slechts voorbereid door hen, die alle „hoogere" ambities aan een veredeling van de praktijk: van lichaam, voeding, gemeenschapsgebaar e.d., offeren. Dat is onze, voorwaar niet lichte „kruistocht". Géén „kinderkruistocht" (speelsche kinderen zijn wij dichters lang genoeg geweest), maar een pelgrimage van oude zielen, die zich in de heilige rivier van de (op het oogenblik alles eischende) Praktijk gaan vernieuwen en verjongen. Elke strijdzang in die richting is „nieuwe"

Sluiten