Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49

gen, die eindigde met een gloedvolle rede van een CostaRicaanschen gedelegeerde, die met een langdurig applaus werd beloond, evenals trouwens het doorwrocht betoog van onzen Jhr. Loudon, die bovendien (ongewoon succès d'estime!) reeds bij zijn verschijning op de tribune werd toegejuicht.

Wat bij dit alles echter wel het meeste treft is het feit, dat al deze vorsten en excellenties, ministers, gezanten, kamerheeren en professoren hier zoo broederlijk en uniform in hun bankjes tezamen zitten.

Tot straks de verschillende Europeesche express-treinen ze weer wegvoeren, ieder naar zijn eigen milieu van wereldsche en sociale grootheid: den gezant naar zijn ambassade, den hoogleeraar naar zijn academie, den maharadja naar zijn sprookjespaleis en zijn (beruchte) „vijftig kisten met familiejuweelen".

Eén van de levendigste indrukken, die mij van dit bezoek aan Genève zullen bijblijven, is wel die van de discussie van hedenmorgen (in de zestiende en voorlaatste voltallige zitting) tusschen Lord Cecil en den heer de Jouvenel. Niet alleen om de feitelijke strekking hunner betoogen, die ik hier onbesproken laat, doch bovenal om het markante contrast tusschen deze vertegenwoordigers van zoo ganschelijk verscheiden mentaliteit.

Burggraaf Cecil lijkt op Eduard Verkade: hij is even verlegen als Verkade, trekt zich op dezelfde wijze aan zijn neus, en kan, eenmaal in het (hoofdzakelijk cerebrale) „vuur" van zijn pleidooi langs diezelfde neus dezelfde venijnige steekjes lanceeren. Als hij loopt, ietwat voorover gebogen, zet hij zijn lange beenen even onzeker in de ruimte, en als hij zijn gezicht soms in de magere handen begraaft, is hij het evenbeeld van Molnar's „Duivel" in Verkade's interpretatie. Zijn grijze oogen leven met denzelfden intellectueelen gloed, zijn toon is autoritair, van een autoriteit, die zich blijkbaar baseert op de machts-constellatie, die hij achter zich weet. Géén van de vertegenwoordigers in deze zaal zou kunnen spreken als hij: het is alsof men zich in het „House of Lords" bevindt, waar slechts Brittannië geldt en slechts het Britsche standpunt waarde heeft. Deze laatste eigenaardigheid gaf den heer de Jouvenel dan ook de gelegenheid tot het plaatsen van zijn sierlijkste „bon mot", n.1. de bewering, „dat Frankrijk zich den laatsten tijd van het bijzondere tot het algemeene (internationale) heeft weten op te heffen, waar het wel schijnt, dat Engeland van het algemeene (het belang

Sluiten