Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

Peter (a.v.): U zult wel gelijk hebben. Maar ik heb thuis een lieve vrouw en twee lieve kindertjes....

D e v o o r z.: En daarvoor wil je nu zeker je meester overhoop steken.... Goddank, dat het verijdeld is.... Voer hem weg, Geerten....

De veldw.: Jawel, meneer.... (tot Peter) Vooruit, ga jij maar eens met me mee.... Zeker een standje gehad, hè.... of een geld-kwestie.... We zullen jou leeren je eigen rechtertje te spelen.... (af met Peter).

Doek.

Vijfde beeld.

De kamer van den schrijver, in het duister. Op het bed de auteur. Op den voorgrond, staande, spookachtig belicht: Don Fernando, Peter en de secretaris. Zwak hoera~geroep van buiten.

De secretaris: Nu Uwe Hoogheid op het punt is een ministers-portefeuille te aanvaarden, willen de menschen hier, dat U nog éénmaal tot hen zult spreken. ... En.... liefst wat langer en uitvoeriger dan U gewoon zijt.... Als Uwe Hoogheid dat wenscht, zal ik gaarne een toespraak voor haar opstellen.

(Hoerageroep van buiten.)

De secr.: Mag ik ze gaan zeggen, dat Uwe Hoogheid spreken zal?.... Ik ga ze dan waarschuwen.... We rekenen op U!... (af).

Onder het voorafgaande is de schrijver uit zijn verdooving ontwaakt. Hij zet zich op de rand van het bed, strijkt met de rechterhand door zijn verwarde haren en kijkt met verwezen blik naar zijn vage „schepselen" en hun spookachtig, aarzelend leven.

De schrijver: Groote God, wélke akte is dit? .... (heftig) Maar dat lijkt in niets op mijn drama.... (tot Don Fernando, die zich gereed maakt, het volk te gaan toespreken) Meneer, U speelt verkeerd.... Wat speelt U eigenlijk? Bent U mijn schepsel, ja of nee? .... Bent U een deel van mijn stuk, ja of nee? (Don F. gaat door zonder te luisteren) Blijf staan meneer, zeg ik U! (hij grabbelt naar zijn manuscript) Hier.... (zoekend) hier staa het, met mijn eigen hand geschreven, dat U in de vijfde akte „met list en bedrog en radheid van tong" de hand van de schoone Donna

Sluiten