Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

verd. Na Visitatie van kaarten eb trouwboekje konden we dan.... naar boven gaan....

Wie zal baar behooren beschjfijVèb wat ëd hoe het Is, voor het eerst iijb eigen kind te zien? Ik weet zeker, dat hij net eerste kwartier niet voor mfe bestortd, êh ik alleen oogen en oorëh na'd voor mijn lieveling, zooals ze daar stralend en lachèhd ia haaf bedje lag, met een blosje op haar wangen, het zijde-dtinhé zwarte haaf naar achtèfen op de twéé kruiselings gelegde kussens, ëa in een mooie, soepele, witte (en dus géén StijVe blauwe!) nachtpon, mét baast haar, op hét nachtkastje, mijn witte seringen.

O, liefste, liefste, jij bron van rijkdom en kracht, die in stilte en eenvoud dezé groote dingen doet!....

Het was prachtig gegaan, vertélde zë, ib drie-en-eëh-half Uüf was alles Voorbij, èh wiSt zè al nauwelijks meer, hoe het cjéwêë&t was, en de nageboorte, dië soms zoo pijnlijk kan iijn, had heelemaal geen pijn gedaan, en ze had maar gelachefi, tot het laatste toe, zoodat de zusters tenslotte óók maar lachten, ëh.... Mabf ik mocht toch óók alweer niet zeggen en geloovén, dat het dus alles „vanzelf" was gegaan.... O nee! Schat, mijn schat, hoé kad ik je danken voor deze waarachtigheid, waarmee je mijn (goed gemeende!) théorie vergeldt.

Ook jij hadt niet kunnen gèloóven.... niet kunbën gelóóven, dat het.... een jongen was, dat onze liefste wehsch.... ZÓÓ maar, zóó maar door God was vervuld....

En toen kwam de jobgen aan de beurt, het kleine, fbsë 'wicaljë; iö iijb wittë bedje. Ik heb hem niet goed geziéd, dien avond; ik heb een rood bolletje gezien, èen klein gezichtje, dat.... bewoog, dat.... leefdé.... eb ëèb klein mopsneüsjé ëd véél haartjes.... En ik heb van jou geloofd, dat hij een mooi hoog voorhoofd had en.... mijn ooren eb vingers.... dat hij óp 2ijn Vader léék!

Het waS eed röes, dit uur, een gedachteloos zweven in een rose oneindigheid, waarin geen tijd was, geen zorg, geen vrouw, geen kind, maar eea eenheid van drie.... die allerhoogste zegen, waarmeé de Vader iijb wéfèld liëfhëert.

Toen ik echter weer op straat stond, ging ik met opgeheven hoofd, als een man, als een kracht.... Nu had ik eerst waarlijk een zoon!

Eén, bi Wien wij beiden verëêóigd zijn. Of, zooals jij aët 2ëi; met tranen in je lieve, blauwe oogen: „In Zija kreetjes hoor ik jou ea mij en.... Onze Lieve Heer"»

Sluiten