Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

voeding verder aan Léon Boedels overlaat. Van hèm leert het dan. eindelijk, de Dietsche tale, hetgeen noodig is, om er een levend Nederlandsen volkslied van te maken.

En denkt Lï nu niet, dat dat zóó maar gaat, dat je bij zoo'n acclimatisatie alleen maar hebt te vertalen! O jé, nee! Ik wijs U slechts op dat pittige chanson de Montmartre: „En dansant 'vee mon grand frisé", dat moest worden omgezet in: „Als ik dans mit me toffe Jèn!" Voorwaar een vondst! Of het „Si tu veux faire mon bonheur", dat naar 's-lants ghelegentheyt in „Zeven dagies ui t'e week'' werd verdiïtscht. Of, t*nslotte, op het „Doedeledoe" (dit kind had een Engelsche nurse) „ik zou wel wille, maar ik mag niet voor me moe..."

Hulde, hulde! Het Nederlandsche volkslied is geboren! Tenslotte, zooals U weet, wordt het dan in Flora, het Paleis of Carré aan het enthousiaste schellinkje vertoond, dat het de komende weken in alle toonaarden nablèrt. Dan zingt en galmt en fluit het in alle werkplaatsen, sloppen, café's met strijkjes en mode-magazijnen, dan davert het van alle straatorgels, en wordt er, zoo het een wals is, door de jonge deernen een two-step op gedanst, of wel, het wordt eenvoudig, zonder meer, versjarrelestont.

Intusschen: alles Irdische ist verganglich, en dus sterft ook het Volkslied. Hoe? . . .Dat is weer niet zoo eenvoudig. Gelijk de meeste internationale avonturiers gemeenlijk ergens in een stil hoekje van een stil hospitaal den laatsten adem uitblazen, zoo sterft ook het Volkslied in den regel op zeer bescheiden wijze. Ergens in een slop, waar een achterlijk jongmensen een draai om zijn ooren krijgt, omdat ie nog steeds dat ouwe ding loopt te drenzen, of wel op een gramofoonplaat, waarbij vader opmerkt: „Hou nou 'es op met die eeuwige afgezaagde mop... Ik heb de nieuwste voor je mee gebracht...."

Aldus sterft het Nederlandsche volkslied. Maar daarom niet getreurd: het buitenland is uiterst vruchtbaar! En dus: leve het Nederlandsche Volkslied!

Sluiten