Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

geuren vermengen. Een jonger zusje is een beetje driftig van aard. Ze begint haar uitbarstingen (meestal als onverwacht slot van een vriendelijk liedje of een onderhoudend gesprek met een buurmeisje) in den regel met den noodkreet:

„Móe-oe... laat die Wullum nou óp-hóuwé!..."

Om daarna gedurende een half uur het oude gebarsten plaatsje van een oorverdoovend huil- en scheldlawaai te doen daveren.

Dan zingt ze weer, of zet haar conversatie voort, en de poesen komen weer tersluiks en liefde-begeerig uit hun holen te voorschijn.

Soms is het ook nacht op het plaatsje. Dan is het donker en doodstil. Maar de ouwe juffrouw van rechts-één-hoog kan dikwijls niet slapen, en wreekt dat op haar grijzen, ietwat sloomen echtgenoot (het eenige wat haar op deze wereld is overgebleven). Die man is vast in zijn jonge jaren géén werkman geweest. Laatst zag ik hem een knipje van het raam behandelen, dat eet beetje stroef ging. Hij gooide er zóó maar een puts petroleum tegen aan (niet eens zóéte olie) zoodat het op het plaatsje begon te druipen. Dat hielp natuurlijk niets. Maar wat ik zeggen wou: als zijn vrouw niet slapen kan, doet ze net of er een poes op haar bed springt (wat enkele jaren geleden in werkelijkheid wel eens gebeurd is). Dat is een goed excuus. Dan roept ze:

„Jesses... daar heb je die ellendige kat weer... Sta dan toch op!"

Dan staat hij op, en heeft ze een aanleiding om de lamp op te laten steken, en is de nacht weer een beetje korter. Dat klinkt allemaal akelig hol in de stilte, èn wekt de afschuwelijkste gedachten over de troosteloosheid des levens.

Naast ons beneden is een groote zoon, die, als hij niezen moet en niet niezen kan (dat is een beroerd gevoel) altijd in de lucht komt kijken, naar dat kleine plekje kittelig blauw, dat heel hoog boven het plaatsje spant. Hij begint dan dadelijk te niezen. Dat is een soort familietraditie om het z ó ó te doen. Andere menschen bereiken het weer door over hun neus te wrijven. Maar de moeder en de grootmoeder van dezen jongen man hebben zeker altijd geredeneerd: „Als je niezen moet en niet niezen kan, kijk dan in de lucht. Dan komt 'et!"

In het huis van dien jongen is een hoeden-atelier. Een rood meisje en een bleek meisje zitten daar alsmaar voor het raam glad-pluchen bolletjes te stikken. En hun monden staan geen

Sluiten