Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

185

den ontvreemd, houtschilfers gesprokkeld, plasjes gedaan of ruiten ingeworpen. Het mannetje zat in dit geval met een uiterst triest gezicht voor zich uit te staren op een kalkbak en scheen van de sterren te willen weten waar hij eigenlijk voor diende.

Toen liet mijn goede genius (de goede genius van de „wandelaars") mij voor dit gebouw in bewondering stilstaan. Minutenlang staarde ik naar gevellijn, vlakverdeeling en moderne sculptures (weg-gestyleerde mensch-vormen en decoratieve puzzles) en voelde... dat ik iets goeds verrichtte. Wat goeds? Ik rekte mijn zwijgende bewondering en trachtte het te ontdekken. En langzaam-aan werd het mij duidelijk: het mannetje op den kalkbak was bezig tot nieuw leven te ontwaken! Hij had zijn tabakspruim bereids op het zand gedeponeerd en ik hóórde zijn gedachten malen: Waar kijkt die man zoo naar? ... D'r is aan dit huis, dat ik bewaak iets te zien... Ja: het is een mooi, een kostbaar huis...

Toen ik dit ervaren had, ben ik langzaam en schijnbaar onwillig verder geloopen, telkens nog eens omziend alsof ik me slechts met de grootste moeite van het objekt mijner vereering kon losmaken.

En voorwaar: nauwelijks had ik den hoek van de straat bereikt of ik zag het mannetje staan, kaarsrecht, handen op den rug, op dezelfde plaats, die ik zooeven had ingenomen... Als een Cerberus, die een schatkelder te bewaken heeft... Als een Napoleon...

Ik voelde me op dat oogenblik een „goed" mensch. Maar ach, nu ik dit heb neergeschreven: hóe velen zullen beamen, dat dit een „goede" daad was, goed genoeg om er een heelen levensdag mee te betalen?

Ik herinner me iets dergelijks... twee, drie... honderd gevallen! Het was op een mailboot uit Indië, waar ik, door allerlei oorzaken, de vierde klas moest bewonen. Veertig smalle, ijzeren kooien in een „vooronder" van luttele vierkante meters. Ontslagen soldaten en matrozen, dronken of half-dronken, zelf-gejaste patatten met vette soep uit tinnen nappen, en zure Algerijnsche wijn, en het geregeld bezoek van een twintigtal grijze scheepsratten, die in het middernachtelijk uur de etens-restjes kwamen wegruimen. Op de brits boven de mijne lag het gore, onooglijke Duitsche doktertje. Door den drank gedérailleerd. Drie jaar vreemdelingen-legioen en 23 jaar Nederlandsche Koloniale troe-

Sluiten