Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REMINISCENSIE

.... Louis Couperus

Ik drentel de boulevard op, de Scheveningsche. De horizon spant purper en oranje om het bleeke water-blauw. Ver achter de wriemelende menschen, en het paviljoen op de Pier, en het groote bleeke meer, zinkt de zon in een laaienden gloed en zuigt de luister van den dag met zich. Dan donkert het, zichtbaar. Wijnrood .... paars....

Is het een wonder? In dit wijkende licht, dat niet sterven wil, verliezen alle dingen hun werkelijkheid. De ijzeren balustraden van de Kurhausbrug schijnen vluchtige arabesken, met ijle pen geteekend op de lucht, het leelijke paviljoen (of is het niet leelijk, anders?) rust als een stralende kroon op het water. Alles vervaagt, de wereld zinkt weg, of wordt opgelicht in een sfeer van droom.

Ik... ik laat me gedachteloos zinken, ergens, in een stoel. Ik ga, in waarheid, zitten als een vorst, die een grootsch festijn verwacht, gegeven te zijner eere. En alsof het Noodlot mij verstaat en deze gril, voor ditmaal, apprecieert, begint terzelfdertijd achter mij een orkestje te vedelen. Violen en clavecimbel. Zóó zoet, zóó teer, alsof het dezen vorstelijken zonnedood ontzien wil en zich schuchter achterstelt bij het ruischen van de zee en de verre in droomsfeer geheven cadans van een menschenwereld, die zich in dit wonder komt verliezen.

Wat heb ik nu in mijn hand? O lief, goedgunstig Lot, dat mij dezen avond, plotseling, onverwacht, als tot een feest wil maken: het is een precieus boekje in goud en bruinen band, één van de laatste scheppingen van Couperus, waarin hij voor mij, nu jaren geleden, in zijn sierlijk schrift een korte opdracht zette. *)

Couperus en .... dit!

Wat zingen nu de violen?! En hoe wonderlijk, wonderlijk,

*) Zie Deel III, illustratie t.o. pag. 208.

Sluiten