Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

223

hoe meesterlijk mooi,' laten deze vedelaars en deze tokkelende clavecimbel, als het lied is uitgeruischt en wéér eens uitgeruischt, een melodie in elkaar breken, donker en moe verbrokkelen tot niets....

Ik lees, even .... om de taal. Om zijn stem, hier, in deze brooze wereld, die toch eigenlijk ook weer gewoon zijn eigen, geliefde Den Haag is, opnieuw te hooren. En het geeft niets van een beklemming, niets droevigs ook. Hij leeft voort, in deze wereld van verfijning en stille extase, zooals wij allen eeuwig leven in onze droomen.

..Morayma, heug je, dat je een kind was en verdwaald uit de vrouwenkameren, en dat je, een ondeugend kind, een speelsch meiske, geslipt was langs de hoven van de Alhambra uit de hoede der oude Berbersohe vrouwen, die sprookjes vertelden? En dat je, Morayma, gedaald was tot aan de IJzeren Poort en daar, tusschen de witte iris, die bloeit aan den boord van den Darro, een knaap aantrof, die peinsde, over wat wist hij nauwelijks, en droomde ... ?"

Ik zie op. De lichtjes op de boulevard gaan aan, twee lange rijen. En daartusschen een coquet, mondain publiek, blije zomersche kinderen als vlinders. Ook dat was Couperus.

Dan klinkt er paardengetrappel. Twee mannen brengen hun strandpaardjes naar huis. Zigeuner-typen met gebruinde koppen en sjovele, lange jassen. Wat rijdt die voorste!, die met die dikke zwarte krullen en vierkante schouders! Is dat niet.... maar het is wel dégelijk een Arabisch hoofd, een chef, die na een roemrijke overwinning op een naburigen stam, op zijn onstuimige volbloed zijn intocht houdt in een blanke Oostersche stad. Hoe houdt hij de teugels, hoe wrikken zijn schouders in rhythmische cadans! Dit is schoon, zooals alles hier, op dit wondere uur van overgang en aarzeling schoon is.

En, terug in mijn boek, vind ik óók daar, onmiddellijk weer, onzen grooten, onsterflijken Couperus.

„Langs de tinnen liep een donkere man en hem volgde een witte vrouw. Zij schenen beiden schimmen, schim van schaduw en schim van licht, maar zijn schaduw was als het zwarte rood van de rozen om den burnoes, wiens rood niet op brandde in de bleeke blankte van den nacht, en de hare was, om het' zilverig gaas van den sluier, die geheel haar omsloeg, niet anders van vage ijlheid dan het witte schuim der fonteinen en

Sluiten