Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

intérieure" naar het Cabaret spoedde, waar ze altijd zeker was één of meer harer lieve vriendinnen uit Parijs, Nice, of MonteCarlo te treffen: met wie ze dan maar weer een stiekem gokje maakte om haar leed te verzetten, of wel een nieuwe cocktail probeerde, of zich verdiepte in een eindelooze beschouwing over „de liefde", zooals die in de diverse Casino's aan de Riviera of op de Parijsche boulevards wordt opgevat. Diep in den nacht kwam ze dan, gewoonlijk nogal „opgewonden", naar huis, waar zij vervolgens hun eindeloos getwist tot den vroegen morgen voortzetten. Dan moest Adam op, om de groentenveilingen te gaan inspecteeren of om toe te zien, dat er op de melkmarkt niet te veel water werd bijgemengd, en keerde Haga zich nog eens lekker om, om eindelijk weer eens vrij-uit te kunnen droomen van haar Riviera-idealen, en de feestelijkheden en officieele recepties, die ze aan haar volgend Internationaal Congres of haar volgende fancy-fair zou verbinden.

Dit is een triest verslag, en ik wou waarlijk, dat het anders was. Hetgeen intusschen niet zeggen wil, dat hun kortstondige echt-verbintenis zonder eenigerlei wederzijdsche invloed bleef. Bovendien: er wéren plaatsen in Den Haag, waar ook Adam graag en van ganscher harte vertoefde. Zoo b.v. de zittingen van het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis, waarbij Haga, blij dat ze eindelijk in haar eigen milieu haar man weer eens bij zich had, dan maar „bonne mine a mauvais jeu" maakte, en zich, gewapend met het laatste boek van Maurice Dekobra, in het rosarium terugtrok. Zij van haar kant was altijd verheugd als er weer eens een paar vreemde oorlogsbodems in de Amsterdamsche haven verschenen, bij welke gelegenheid Adam zich dan steeds trachtte wijs te maken, dat het zijn vrouwtje niet alléén om de flinke zee-officieren en hun mooie uniformen te doen was....

Laten we er niet verder over uitweiden. Hun huwelijk bleek, ondanks deze enkele punten van schijnbare overeenkomst, een schromelijke mislukking.

Na drie maanden vond Adam op den schoorsteenmantel een geparfumeerd briefje van z'n vrouw, waarin zij hem meedeelde, „dat zij stikte". „Dat ze hem een heel aardigen en erg geleerden jongen vond en ook wel van hem hield, maar dat, enfin, dat de parfum van haar poudre-de-riz niet harmoniëerde met de geur van zijn eeuwenoude grachten (dat was natuurlijk een bewuste

Sluiten