Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

school tot zoodanige bloei, dat Parijs het middelpunt werd van die jonge kunst.

Zoo ging het in Frankrijk. Maar Italië, dat in die dagen door de Vrijheidsoorlogen in beroering was gebracht, rustte niet op de lauweren van vroeger dagen.

Alleen in Napels bestond een saamhoorige groep kunstenaars, de „School van Posillipo", die niet vergeten was, wat Anton van Pitloo had geleerd, en er zelfs tè veel op doorging. Van Florence alleen — de Uitverkorene bij traditie —kon nieuw licht komen.

In het Café Michelangelo vereenigden zich tusschen de jaren 1850 en '60 politici en kunstenaars, die in de korte oogenblikken van bezinning, die er overschoten tusschen één oorlog en den anderen, over de problemen van de schilderkunst discussieerden. En hier ontstond die groep van schilders, die, omdat ze géén gladde en vage kleuren op hun doeken wilden zetten, maar wèl met forsche streek wilden penseelen, den minachtenden en toch roemrijken naam van „macchiaioli" (verf-kladders) kregen. Zeker niet de minste hiervan is Antonio Puccinelli, die in 1852 zijn „Passeggiata del Muro Torto" schilderde, dat vijf jaar eerder ontstond dan de „Siësta" van Courbet.

Overigens behoefde Italië den juisten weg niet ver te zoeken. Om het ademen van het plein-air te kennen behoefde het maar Tiepolo te aanschouwen, zocht het de klatering van het licht, dan was er Guardi.

De nieuwe richting in Italië loopt tot aan het tijdstip van het cubisme, parallel met die in Frankrijk.

10

Sluiten